Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een belangrijk rapport 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een belangrijk rapport 2

6 minuten leestijd

II.
In 1 Cor. 7 : 15 meenen velen nog een tweeden grond voor echtscheiding of ontbinding van het huwelijk te vinden, niet slechts wat men noemt desertio religionis causa, verlating op grond van verschil in religie, maar ook malitiosa desertio, kwaadwillige verlating. Hierdoor ontstaat de grootste moeilijkheid voor de Kerk. Ook al spreekt men alleen van het eerste, dan is er toch zulk een rekkelijk gebruik van het woord „ongeloovige”, en ook wordt er zooveel afgeleid uit de woorden „niet dienstbaar gemaakt”. Nu zou voor onze kerken de moeilijkheid nog niet zoo groot zijn, indien er onder de Gereformeerde exegeten maar eenstemmigheid ware. Maar waar er heel wat verschil gevonden wordt, zoo vindt men er altijd weer, die zich beroepen op dezen of genen schrijver. De hoofdgedachten over dezen tekst zijn:
a.Dat daar uitsluitend aan een ongeloovige, een beslisten verwerpervan Christus, uit Joden of Heidenen moet gedacht worden, die de Christelijke partij verlaat, en dat deze dan recht heeft een ander huwelijk aan te gaan.
b.Dat er hier geleerd wordt bij analogie dat moedwillige of kwaadwillige verlating grond voor echtscheiding is, aangezien zulk een handelwijze getuigenis geeft van zich niet te willen onderwerpen aan de ordinanties Gods, vooral in zake het huwelijk, en daarom de verlatene partij niet dienstbaar mag gemaakt worden en dus vrij is weer te huwen.
c.Dat er in het geheel geen sprake is van een grond voor echtscheiding noch ter oorzake van een verlaten door een ongeloovige, veel minder waar kwaadwillige verlating plaats grijpt, terwijl er ook dan nog een aanmerkelijk verschil in de exegetische opvatting gevonden wordt.
Het zal zijn nut hebben, dat wij hier enkele Gereformeerde schrijvers laten spreken. Wij beginnen met Calvijn. „In het tweede lid van 1 Cor. 7 : 15 spreekt de Apostel,” zoo zegt Calvijn, „den geloovigen man vrij, die, zijnerzijds bereid met zijne ongeloovige vrouw samen te wonen, door haar wordt verworpen, en evenzeer de vrouw, die zonder schuld harerzijds door den man wordt verstooten. Want in zoodanig geval pleegt de ongeloovige partij eigenlijk meer echtbreuk jegens God dan jegens zijne menschelijke wederhelft. Hier is dus eene bizondere reden, aangezien de hoogste en voornaamste band niet alleen wordt losgemaakt, maar verbroken. Ofschoon sommigen meenen, dat wij tegenwoordig in ongeveer gelijke conditie tegenover de pausgezinden verkeeren, zoo moet men toch nauwkeurig acht geven wat onderscheid er is, opdat niemand lichtzinnig iets onderneemt.” Duidelijk is dat Calvijn hier een tweede grond voor echtscheiding aanvaardt, doch alleen wat betreft desertio religionis causa (op grond van verschil in religie). Wel heeft men getracht en tracht men noch uit Calvijn’s geschriften aan te toonen, dat hij ook de malitiosa desertio (kwaadwillige verlating) als grond voor echtscheiding heeft toegestaan, maar uit zijne verklaring van 1 Cor. 7 : 15 mag dit geenszins worden afgeleid, hoe gaarne sommigen dit ook zouden willen.
In de 2de plaats wijzen wij op Beza. Hij spreekt over den tweeden grond naar aanleiding van 1 Cor. 7 : 15 aldus: „Schuldig aan verlating noem ik derhalve hem, die, zooals de Apostel spreekt, de samenleving niet wil, dat is, die de geheele levensgemeenschap verbreekt. Onder samenleving of verplichte wederzijdsche welwillendheid versta ik dus niet alleen de vleeschelijke gemeenschap, die met een vreemden term ook wel nakoming van den echtelijken plicht wordt genoemd, maar het wederzijdsche algemeene deelen van heel het leven en dus ook bepaaldelijk de hoogste eenheid in al wat tot een heiligen levenswandel behoort. Ik voeg dat heilig hieraan toe, opdat wij mogen weten, dat voor een verlater ook hij is te houden, die wel de samenleving niet weigert, maar daarbij hardnekkiglijk goddelooze voorwaarden stelt. Bovendien, aangezien allerlei twisten en veeten wegens verschil van religie voorkomen, die nu en dan zoo hoog gaan, dat partijen van elkander wegloopen, zoo moet aan het voorgaande ook nog worden toegevoegd, dat dan eerst iemand moet gehouden worden voor een verlater, wanneer er geen zweem van twijfel meer overblijft omtrent zijne gezindheid, om de algeheele levensgemeenschap uit haat tegen de religie te verbreken.”
Moeilijk zal men ook hieruit anders kunnen afleiden, dan dat Beza hier spreekt over een verlaten religionis causa. Want later sprekende van „onhandelbare onderdanen, wier onhandelbaarheid niet bedwongen kan worden”, geeft hij den raad „dat het hun toegestaan worde om van elkander te gaan, maar dan moet toch de huwelijksband zelf ongeschonden blijven, op grond van Christus’ onveranderlijke uitspraak. Ook zegt hij: „Het staat aan den Magistraat niet vrij, naast overspel en desertio nog andere redenen als gronden voor echtscheiding te aanvaarden,” zonder echter te bepalen, welke verlating hij bedoelt.
Voetius spreekt zich meer duidelijk uit. Hij aanvaardt op grond van 1 Cor. 7 : 15 moedwillige verlating als grond voor echtscheiding. Na vastgesteld te hebben dat overspel een grond voor echtscheiding is, komt hij tot de vraag: „Of de onrechtvaardiglijk verlaten partij billijke en voldoende redenen heeft om formeele losmaking van den huwelijksband te vragen en tot een nieuw huwelijk over te gaan.” Dat antwoord luidt: „De Prot. en Geref. Theologen en juristen bevestigen dit om strijd, en daarmee stemt overeen de practijk der Geref. overheden. De practijk wordt gebaseerd op 1 Cor. 7 : 15. Wat de Apostel hier zegt van de verlating wegens geloofsverschil, geldt evenzeer van elke andere desertie om drieërlei redenen:
1 Om de analogie.
2 Volgens het natuurrecht, omdat bij zoodanige desertie geen echtelijke eenheid meer bestaat.
3 Wegens de ongerijmdheid van hetgeen volgen zou; de kwaadwillige zou zoo de onschuldige partij kunnen veroordeelen tot een feitelijk ongehuwd leven. Men moet den termijn overlaten aan het oordeel van het openbaar gezag.”
Voetius is dus zeer duidelijk.
De Moor in zijn commentaar op à Marckis tegen de aanvaarding van een anderen grond voor echtacheiding dan die door Jezus genoemd wordt. Hij beroept zich op Matth. 5 : 32 en 19 : 9. Rom. 7 : 2, 3; 1 Cor. 7 : 39 en 1 Cor. 7 : 10 en 11, en houdt staande het gezegde des Heeren dat buiten overspel de algemeene regel moet gelden: Wat God samengevoegd heeft, schelde de mensch niet, volgens Matth. 19 : 6. Het voetspoor van Voetius wordt tegenwoordig gevolgd door Mr. Anne Anema blijkens zijn werk: „De gronden voor echtscheiding in het Nederl. burgerlijk recht.”
Op deze historische inleiding volgt in het rapport de exegetische beschouwing van 1 Cor. 7 : 15. Deze hopen wij de volgende maal na te gaan, volgens het rapport.
’s-Gr.
P.J.M. de Bruin

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 30 November 1906

De Wekker | 4 Pagina's

Een belangrijk rapport 2

Bekijk de hele uitgave van Friday 30 November 1906

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken