Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Redding voor blinden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Redding voor blinden

11 minuten leestijd

„Om te openen de blinde oogen.” Jesaja 42:7a.

Er is niets aangenamer voor ongelukkigen om te hooren, dan dat er redding daagt. Al is die redding nog niet in dadelijkheid aanwezig, met zekerheid te weten dat zij komt, is reeds genoeg om den ongelukkige met blijdschap te vervullen. Eeuwen moesten nog verloopen, voor dat de heilrijke profetie van Jesaja zou vervuld worden in betrekking tot de komst van den Messias, en toch, te vernemen al dat heil waartoe Hij tot een Verbond des volks zou gegeven worden, moest de geloovigen van die tijden eene stof tot vreugde zijn. Onder al die zegeningen, in de belofte begrepen, behoorde ook deze, dat de Christus komen zou op te openen de blinde oogen.
Deze weldaad, in zoo nauw verband met andere hier genoemde weldaden, doet ons denken aan ongelukkigen en aan hun redding.
Aan ongelukkigen, want dat zijn immers blinden. Een mensch, die zijn gezichtsvermogen mist, is een zeer afhankelijk en hulpbehoevend schepsel. Het gaat met ons gezichtsvermogen gelijk met elke andere weldaad: men kan de grootheid van deze weldaad nooit naar eisch waarderen. Maar die het gehad heeft en later missen moest, die weet het. Is lichamelijke blindheid al zoo ongelukkig, wat hier bedoeld wordt is van nog zooveel ernstiger aard. Hier geldt het de kwaal waar geheel het geslacht van Adam aan lijdt. Met die ellende wordt ieder mensch geboren. Groote en heerlijke gaven kan een mensch bezitten, met een schoonen aanleg kan een kind bedeeld zijn, maar op dezen regel is geen enkele uitzondering: we hebben allen gezondigd en tengevolge daarvan deelen we ook allen in de gevolgen der zonde. Die gevolgen zijn van zeer uitgebreiden aard. Zij treffen ziel en lichaam, zij strekken zich uit over den tijd in de eeuwigheid. Als een eerste, en als een zeer ernstig gevolg moet de geestelijke blindheid van den mensch worden aangemerkt. Ongelukkig te zijn is erg, maar geen bewustheid te bezitten van eigen ellende, is nog al erger. Door de zonde verloor de mensch Gods beeld, en met dat beeld verloor hij de kennis. En aanstonds na de eerste zonde in het paradijs werd in Adam al openbaar, wat hij verloren had, in zijn vlucht van God. God zelf is het allerhoogste goed. Dit te willen ontloopen of ontvluchten, is het allerduidelijkst bewijs van ’s menschen blindheid. Dit deden Adam en Eva, onze eerste voorouderen, en dat is de natuurlijke eigenschap van alle kinderen van Adam.
In natuurlijken aanleg en gaven kan groot onderscheid zijn tusschen den één en den ander, maar wat ons innerlijk zijn betreft, zijn voor God allen gelijk. Allen hebben gezondigd. Allen derven de heerlijkheid Gods. Van nature zal niemand naar God zoeken of vragen. Omdat de mensch van nature geestelijk blind is, ziet hij niet waarin zijn heil is, maar ziet hij ook niet de ellende waarin hij verkeert, noch het ontzaglijke gevaar, dat hem voortdurend dreigt.
Zien we een mensch met open oogen in het water of in het vuur loopen, dan hebben we deernis en zeggen: ach hoe ongelukkig! Maar wat dunkt u, als dan de Heilige Schrift ons leert en ieder alle dagen de waarheid daarvan bevestigt ziet, dat de menschen bij honderden en bij duizenden met open oogen naar de hel zich spoeden, dat men niet vreest voor den dood, die ieder uur wenkt, dat men spot met alle waarschuwingen, is dit dan niet veel treuriger?
Ach de wereld is in dit opzicht een tooneel van onbeschrijfelijke ellende. Als ge in een groote stad in een ziekenhuis komt, waarin soms vier-, vijf of nog al meer honderden kranken liggen, dan zegt ge, als ge dat alles goed onder de oogen gezien hebt: wat al jammer en ellende en dat uit slechts eene plaats! En als ge nu nadenkt, hoe groot het getal wel is in elke stad, in elk dorp en in elke bewoonde streek, niet alleen in ons vaderland, maar over de geheele wereld, van menschen, die nog geestelijk blind zijn en die dit met woord en daad bewijzen, dan verwondert ge u immers niet meer, als ge anderen, wier oogen genadiglijk zijn verlicht geworden, hoort zuchten bij oogenblikken met Groenewegen: „waarheen ik mij ook wende, ’t is overal ellende”.
Dat kunnen kinderen van godzalige ouders in den regel niet vermoeden, dat terwijl zij rustig liggen te slapen, soms diep in den nacht nog een vader of een moeder ligt te roepen en te smeeken tot God om hun redding en behoudenis.
Op zulk een aandoenlijke wijze hebben we het menigmaal van stervende lippen gehoord: o, mijn kinderen, mijn kinderen! waren hunne arme zielen maar gered.
En een Evangeliedienaar, als het hem met kracht aangrijpt, onder de prediking van des Heeren Woord, al die arme blinde zielen, aan zijn leiding toevertrouwd — wat kan die nood dan wegen op het hart en de behoefte aan redding doen roepen tot den Heere, terwijl het nog de tijd van genade is.
En Gode zij dank, voor zijne onuitsprekelijke genade, er is redding mogelijk, zelfs voor den allergrootsten en en allerellendigsten zondaar.
Wat oudtijds alleen onder Gods verkoren Israël bekend was, dat zou in de volheid des tijds tot meer algemeene openbaring komen. Ook over het in duisternis gezeten Heidendom zou het Licht opgaan. De lang beloofde en verwachte Messias komt. In en met Hem gaat het licht over de duisternis op. Door Hem ontvangen Zijne apostelen bevel om het evangelie te prediken aan alle volken, beginnende van Jeruzalem. In en met dat evangelie komt de blijde boodschap des heils tot ongelukkigen. Die boodschap houdt in, dat er genezing is voor blinden, redding alzoo voor ongelukkigen. Bij genezing van lichamelijke blindheid, als bij den blindgeborene, waar we in het evangelie van Johannes van lezen, vraagt de wetenschap der wereld: hoe kan dat zijn? En in plaats van zich te verblijden over de weldaad aan een ongelukkige geschonken, ergert de wereld en alle schijnvroomheid zich, omdat die weldaad van den Heere Jezus uitgaat, dien men ook in en door dit wonderwerk niet in Zijn goddelijk Zoonschap wil erkennen. Tegenover de prediking en de openbaring van redding en genezing van geestelijke blindheid, zien we wat anders. Het ongeloof dat de kwaal als kwaal niet erkent, wil natuurlijk ook van genezing en redding niet hooren. Wie het eerstgenoemde verwerpt, heeft aan het andere geen behoefte.
Anderen daarentegen, die kennis hebben en verkrijgen van hun ellende, vragen niet zelden met veel bekommering: hoe kan dat zijn? maar dan komt die vraag voort uit een geheel ander beginsel. De vraag kan dan rijzen: is de kennis van mijn ellendestaat wel de ware kennis? Verstandelijke beschouwing en overtuiging is niet genoeg. Er is een doode zoowel als een levende kennis. Hetzelfde geldt dan van het evangelie en van de wijze waarop Christus Zich daarin tegenover ellendigen openbaart. De historische waarheid der Heilige Schrift, o, dat wil men gaarne, daar hapert het niet aan. Maar de toeëigening door het geloof van Christus en Zijne weldaden, daar hangt alles aan. Was nu de belofte groot en heerlijk omtrent den Verlosser, die komen zou onder de oude bedeeling, heerlijker nog is het, te mogen leven in en onder die bedeeling van Gods Verbond, waarin we zeggen mogen, dat die belofte is vervuld en dat Hij gekomen is, naar Wiens komst zoo vele geslachten eeuwen lang hebben uitgezien.
Om de blinde oogen te openen, zoo kunnen we thans antwoorden op de vraag, waartoe Gods Zoon in het vleesch op aarde verscheen. En wie dan heilbegeerig onderzoeken gaat, hoe en op wat wijze dat groote wonderwerk van genade geschiedt, die zal in het Woord en in het leven niet tevergeefs zoeken. Door Zijn Geest en Woord werkt Christus in den zondaar op de meest wondervolle wijze. Waar ge te voren blind voor waart, dat krijgt ge nu te zien. Waar ge voorheen geen glans en geen heerlijkheid in zaagt, dat bekoort u nu op geheel eenige wijze. De Bijbel wordt een geheel ander boek voor u, maar ook de werkelijkheid van geheel het leven krijgt voor u een geheel andere gedaante. En bij zooveel, waarover ge u verwondert, is dit wel het allergrootste, dat ge van alles wat ge nu ziet en gevoelt als zoodanig, te voren een vreemdeling waart. Trouwens hoe kan dit anders. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Men spreekt dan soms met anderen mee, maar dat is geen vrucht van hetgeen men zelve van den Heere heeft geleerd. Waar geestelijk leven wordt gemist, kan onmogelijk smaak zijn voor geestelijke spijze. Er zijn menschen, die veel kennis hebben van ellende, doch die, ongelukkig genoeg, nog nooit gevoel hebben gehad van hunne ellende. Hieruit is dan gemakkelijk af te leiden, hoe zij denken en oordeelen over Hem, die in. de wereld kwam om ellendigen te verlossen. Ook daar kan men dan, op zijn sterkst genomen, rechtzinnig, zelfs gemoedelijk over spreken, zonder dat men echter van geloofswerkzaamheden iets bij hen ontdekt. Anders is dit, als Christus de Heere, als die geheel eenige zielenarts een ellendige van zijne ellende komt te redden. Dan krijgt ge door de verlichting des verstands ware kennis van God en van goddelijke dingen. Dan krijgt ge kennis van uwe ellende, maar een kennis, die met smart en hartelijk leedwezen gepaard gaat en die u zuchtend en biddend doet uitzien naar verlossing. En bij de kennis die ge krijgt aan Christus, kenmerkt zich die kennis door zulk een liefde vóór en betrekking op den persoon des Verlossers, dat ge bij de bewustheid van al uw gebrek en ellende, op de vraag door Christus gedaan: hebt gij mij lief? toch niet anders zoudt kunnen antwoorden, dan Simon Petrus eens heeft geantwoord: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U lief heb.
Om de blinde oogen te openen — wie zal naar eisch die weldaad kunnen omschrijven. Toen de blindgeborene door Christus van zijn blindheid gered was, zeide men: nooit is het gehoord, dat iemand blind geboren, van zijne blindheid genezen is. Ook aan dien blinde aan den weg gezeten, die op de vraag: wat wilt gij, dat Ik u doen zal? antwoordde: Heere! dat ik ziende mag worden, bewees de Heere, dat het Hem niet te groot was, die gunst hem te schenken. En iedere zondaar die van zijn geestelijke blindheid wordt gered, zal moeten erkennen: dat heb ik aan Jezus te danken. Hij verwierf niet alleen door Zijne aangebrachte gerechtigheid dat recht, maar Hij bezit ook de macht om een Saulus in een Paulus te veranderen. Vreemd van ware Godskennis en zelfkennis verstonden de farizeën en de onwetende joden niet, dat ieder mensch van nature blind is, daarom durfde men vragen: zijn wij dan ook blind? En nog is de ellende waarin het grootste gedeelte van het menschelijk geslacht verkeert, met twee woorden te omschrijven, n.l. geestelijke blindheid. Dat doet de menschen zoo roekeloos en onverschillig leven, zonder acht te geven op de groote zaligheid, door het evangelie alom geopenbaard.
Daaruit moet verklaard worden die zorgelooze gerustheid, waarin zoovele duizenden leven, die daar wandelen als langs den rand van de hel.
Zoodra daarentegen een zondaar ontwaakt uit den slaap der zonde en het gevaar begint te zien, waarin hij verkeert, dan ziet hij uit naar redding en verlossing. Stelt buiten en zonder Christus alles te leur, wie in Hem gelooft en tot Hem de toevlucht neemt, die kan nooit beschaamd uitkomen.
Bij den voortgang en ten einde toe is Christus noodzakelijk en onmisbaar voor ieder die in Hem gelooft. Elken dag toch bij vernieuwing dreigt de duisternis u alle licht te benemen. De lampe des geloofs moet telkens met olie des Geestes worden aangevuld, zult ge uwen weg met blijdschap kunnen reizen. Licht is een der grootste behoeften, waardoor het leven der geloovigen zich onderscheidt. En wat is grooter genade, mogen we wel vragen, dan dat de Heere Zijne gunstgenooten met licht komt te zegenen. Licht der kennis, waardoor ge al meer en al dieper uw zondige aard leert kennen, maar licht ook, waardoor ge steeds helderder leert inzien in den weg der verlossing en waardoor ge al duidelijker leert verstaan wat het zegt, uit genade zalig te worden. Alleen het licht dat van Christus, als de Zon der Gerechtigheid uitstraalt, kan u, tot zelfs in de schaduwe des doods, door het geloof doen zeggen: Ik weet, mijn Verlosser leeft.

W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1907

De Wekker | 4 Pagina's

Redding voor blinden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1907

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken