Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het voortbestaan der Christelijke Gereformeerde Kerk - XII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken

Het voortbestaan der Christelijke Gereformeerde Kerk - XII

6 minuten leestijd

In 1891 toch kwam de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk weder saam en wel te Leeuwarden, Deze Synode was het tegendeel van die te Assen, In de drie jaren na 1888 was er eene groote kentering gekomen. Te Assen trachtte men het beginsel der Afscheiding duidelijk te omschrijven, te Leeuwarden was de leus: niet spreken over het beginsel, maar vereeniging op grond van eenheid in belijdenis, zonder vooropstelling van ons beginsel. Leeuwarden stond in het teeken van „verflauwing der grenzen.” Reeds de openingsrede door Ds. W.H. Gispen over Filipp. 4:5 „Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend” wees aan dat men een anderen koers zou varen als vóór drie jaren. Wees te Assen Ds. van Andel op Openb. 3:11: „Houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme”, te Leeuwarden was de hoofdgedachte van Ds. Gispen: „De christelijke bescheidenheid een eisch ook voor het kerkelijk leven.” Ook in het verdedigen van eigen kerkelijk standpunt wekte Ds. Gispen tot bescheidenheid op. Nu, Leeuwarden’s Synode was zóó bescheiden, dat zij ter wille van de vereeniging haar standpunt liet varen.
De concept-acte werd nu losgelaten en de navolgende besluiten werden aangenomen:
I. De Synode, ter zijde gesteld hebbende de Concept-acte, verklaart, dat zij op den grondslag van eenheid in Gereformeerde Belijdenis en in Gereformeerde Kerkregeering tot kerkelijke vereeniging met de Ned. Geref. kerken wil zoeken te komen.
II. Ten einde op dien grondslag tot zoodanige Vereeniging te geraken, oordeelt de Synode der Christ. Ger. Kerk dat alleen zulk een poging zal kunnen slagen,
1° als over en weer, oprecht en zonder zinsbehoud, dat te vereenigen kerken erkend worden als ware en zuivere Geref. kerken naar Belijdenis en Kerkorde;
2° als, wat de verhouding tot de Ned. Herv. Kerk betreft, dit wederzijds wordt uitgesproken, dat verbreking van de kerkelijke gemeenschap met de besturen van de Ned. Herv. Kerk niet alleen, maar ook met de leden in corporatieven en plaatselijken zin, door Gods Woord en de Geref. Belijdenis geboden en dus noodzakelijk is;
3° en als geen personen als leden der Vereenigde kerken mogen worden erkend, dan die instemming betuigen met de Geref. Belijdenis en Kerkenorde en dienovereenkomstig wenschen te leven.
III. Het reglement van 1869 alzoo te wijzigen, dat de Dordtsche Kerkenorde de plaats daarvan inneme en den dienst daarvan vervuile; eene commissie te benoemen die de toestemming der gemeenten verzoekt; en die commissie te machtigen om na verkregene toestemming bij de Regeering de daarvoor noodige stappen te doen.
Besluit II (het voorstel van Dr. Bavinck) vermijdt de principieels quaestie en kent aan de doleerende gemeenten hetzelfde bestaansrecht als aan de Christ. Geref. gemeenten toe. Feitelijk wordt in besluit II het Christ. Geref. beginsel vernietigd. Immers het erkent ook het beginsel der doleantie, dat in lijnrechten strijd is met het beginsel der scheiding, gelijk wij vroeger zagen. Do Synode van Leeuwarden plaatste zich op het standpunt dat beide methoden van reformatie, separatie en doleantie erkend moeten worden, m. a. w. zoowel het beginsel dat volgens art. 28 van onze belijdenis eischt zich af te scheiden van de valsche kerk, als het beginsel dat zegt: de Ned. Herv. Kerk is slechts verbasterd, zoodat wij ons niet van haar moeten afscheiden, maar haar moeten reformeeren. Twee elkaar uitsluitende beginselen trachtte men hier te erkennen. Ware Leeuwarden dien weg niet uitgegaan, er ware geen vereeniging plaats gevonden. Zeer juist merkte Dr. Bavinck op, dat, indien de Synode alleen het Christ. Geref. beginsel als waar erkende, zij dan tot de doleerenden moest zeggen: „Kom tot ons over.”
Prof. Lindeboom gevoelde echter dat men te Leeuwarden het beginsel der Scheiding ging begraven. Hij wees er op dat het beginsel der doleantie door ons nooit kan erkend worden en herinnerde aan het Verslag der Synode van 1851, dat toen reeds ’t tegenwoordig standpunt der doleerende kende en verwierp Ware Leeuwarden op de lijn van 1851 voortgegaan, de kerken der doleantie zouden als tegen kerken tegen de door God geopenbaarde kerken des Heeren beschouwd zijn geworden en niet erkend geworden zijn als „ware en zuivere Geref. kerken naar Belijdenis en Kerkorde,”
Wij kunnen daarom niet nalaten onze lezers bekend te maken met de uitspraak van 1851.
Het ging toen over de vereeniging met Ds. Brummelkamp, die in 1851 verklaarde zich nooit van het Hervormd Genootschap, maar wel van het Kerkbestuur te hebben afgescheiden. Ten aanzien van het kerkelijk standpunt verklaarde toen de Synode van 1851 dat zij zich, overeenkomstig art, 28 onzer Geloofsbelijdenis, had afgescheiden van de Herv. Kerk. Zij omschreef haar standpunt toen aldus:
„Wij gelooven, door Gods vrije en ontfermende genade, overeenkomstig des Heeren Woord 2 Cor. 6:17 in verband met Openb. 18:4: „daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af,” enz. verwaardigd te zijn geworden om een kerkgenootschap te verlaten, hetwelk het kenmerkende van de ware kerk geheel heeft verloren, ofschoon er ook sommige predikanten in zijn, die betuigen, de Geref. leer in al hare stukken en deelen aan te nemen, en die trachten de Kerk in de Kerk te herstellen, welk herstel onzes erachtens even onmogelijk is als in de tijden der Reformatie, omdat de fondamenten van onze Gereformeerde Kerk daar zijn weggenomen.
Indien wij dit in gemoede voor den Heere niet geloofd hadden, dan hadden wij ons, overeenkomstig onze formulieren van eenigheid, niet mogen afscheiden, en zouden derhalve ons tegenwoordig standpunt moeten verloochenen, hetwelk door ons bij dezen niet mogelijk is, omdat wij van harte gelooven, dat de Heere Jezus, als Koning der Kerk, Zijn volk uit eene valsche Kerk gelieft uit te leiden.
Dus beschouwt de vergadering hen, en allen, die het met hen eens zijn, om zich der gemeenschap van de Christelijke Gereformeerde Kerk te onttrekken, als zich buiten onze kerkelijke gemeenschap te bevinden.
En volgt hieruit, dat wij van nu af met hen, op hun standpunt, als zoodanig, geene kerkelijke gemeenschap kunnen oefenen, zoolang zij daarop blijven staan.”
Welk een verschil tusschen de Synode van 1851 en 1891. Toen het beginsel der scheiding gehandhaafd tegenover de verklaring van Ds. Brummelkamp „zich nooit van het Hervormd genootschap, maar wel van het onwettig Kerkbestuur te hebben afgescheiden”, nu dat zelfde beginsel vernietigd, door het beginsel der doleantie te erkennen.
Zoo was de weg voor de vereeniging van 1892 gebaand.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1908

De Wekker | 4 Pagina's

Het voortbestaan der Christelijke Gereformeerde Kerk - XII

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1908

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken