Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stof tot Kerstvreugde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stof tot Kerstvreugde

11 minuten leestijd

„Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.” Jesaja 9:5.

„Hij heeft gedacht aan Zijn genade,
„Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt;
„Dit slaan als ’s aardrijks einden gade:
„Nu onze God Zijn heil ons schenkt.
„Juich dan den Heer met blijde galmen,
„Gij, gansche wereld, juich van vreugd;
„Zing vroolijk in verheven psalmen
„Van ’t heil dat d’aard in ’t rond verheugt.”

Op de vraag; vanwaar die hooggestemde jubelzang aan den morgen van ons heerlijk Kerstfeest? komt een stem uit de gewijde historie, welke het ons verklaart, bij monde van Jesaja, den profeet uit Israël, die het in den naam des Heeren reeds aan zijne tijdgenooten doet hooren met te zeggen: „een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven." Uit de geschiedenis van Abraham, van Manoach en van anderen weten we, welk eene blijdschap de geboorte van één kind kan teweeg brengen. Doch van slechts één kind lezen we, dat zijn geboorte een stof tot groote blijdschap voor alle volken wezen zal. Dat is het Kind, hier door Jesaja bedoeld; het Kind reeds beloofd door God in het Paradijs als het zaad der vrouw, dat den kop der slang vermorselen zou. In profetische stijl stelt Jesaja de zaak, die nog gebeuren moest, voor, alsof zij al gebeurd was. Hij zegt niet: een Kind zal geboren worden en zal ons gegeven worden, maar: een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Duizend jaren zijn bij den Heere als één dag. Wat menschen zeggen en beloven, dat kan veranderd of verijdeld worden, maar wat de Heere spreekt en belooft, dat zal geschieden. Zoo wordt dan door Gods profeet de toekomst voorgesteld in het licht van het heden, en reeds voor Israël, het volk der belofte, wordt de komst van een Kind door God beloofd, een Zoon van God gegeven, de stof eene groote, eener onuitsprekelijke vreugde.
Reeds de namen aan dat kind toegekend, doen zien, dat het geen kind zal zijn als onzer één. Op niet één kind toch uit het geheele geslacht van Adam past het, wat de profeet als in eenen adem hier noemt, als hij van dat Kind getuigt: men noemt Zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. Zoo heet het van den Zoon, op wiens schouder de heerschappij is. Dat kind zal dus een Koning zijn, een Koning wiens heerschappij geen einde zal zijn, en die Zoon zal een Gave zijn, een Gave van Jehovah geschonken. Toen de volheid des tijds was aangebroken, is de belofte Gods vervuld, en daar zien we:

„Op ’t geluid der hemelchoren,
„Op ’t gelei van Jacobs ster,
„Dat wij ’t kindeke, ons geboren,
„Biddend naad’ren, schoon van ver!
„Gods en Menschenzoon te zaâm,
„Wonderlijk! dat is Zijn naam!” (d. C.)

Op de meest wondervolle wijze voorbereid, zien we onder geheel bijzondere omstandigheden in Bethlehem, die kleine Davids stad, hoe ondoorgrondelijk Gods wegen en gedachten zijn, toen het kindeke Jezus uit de maagd Maria werd geboren. En al de feestvreugde, welke nu heden ten dage op het Kerstfeest wordt genoten, genoten over de geheele wereld, concentreert zich in en omdat kindeke, in de beestenkrib te Bethlehem aanschouwd.
In aanmerking genomen de diepe vernedering van dat kindeke, dat in nederige windselen ligt gewonden, aan wien met Jozef en Maria geen andere plaats beschoren was dan in een beestenstal, was hier alleen door ’t geloof heerlijkheid te aanschouwen. Maar het groote heilgeheim in het aanbiddelijk wonder van dat Kindeke geopenbaard, mag in de wereld komen als de zon, wier morgenrood aan morgenglans en middagheerlijkheid voorafgaat, doch spoedig zal blijken, de groote beteekenis van de geboorte en de komst van dit Kindeke. Niet aan de hoven van aardsche vorsten, niet aan grooten en aanzienlijken, maar aan eenvoudige herders, die des nachts hun kudde bewaakten op ’t veld, verschijnt een heraut, een engel uit den hemel, om het aan deze eenvoudige naar heil dorstende zielen te verkondigen, wat groote dingen de Heere had gedaan. Met aanbidding en verwondering vervuld hooren zij van engelenlippen: Ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal. Blijdschap van bijzonderen oorsprong, van geheel eenigen aard. Blijdschap, die in lof en dank een Simeon in den tempel zal doen uitroepen, dat bij nu tot sterven is bereid, want, zegt hij: Heere! mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien. En van af dat oogenblik zal de Zon der Gerechtigheid haar gouden stralen doen verspreid worden over de aarde. Die Zon zal schijnen en schitteren, tot eens de aarde vervuld zal zijn met de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
Dan, ja dan zal van uit alle volken een lofzang worden gehoord, waarvan de bekende geestelijke zoon van Abraham als voorzang jubelt:

„Loof dien Spruit, gij uitverkoren,
„Gij verborgen Bethlehem!
„Looft dien Heerscher, u geboren,
„Burgers van Jeruzalem!
„Looft gij heem’len! Loof gij, âard!
„God in ’t vleesch geopenbaard!”

Zoo lang deze wereld op hare grondvesten staat, zal het wonder van Bethlehem een stof tot groote vreugde zijn voor allen, die door Gods genade leeren verstaan, wat reeds in den naam van den van God gegevene is uitgedrukt, want Zijn naam moest zijn Jezus, omdat Hij Zijn volk zalig maakt van hunne zonden.
In wat al jammer en ellende verkeerde voorheen gedurig Gods Israël om hunner zonden wil. Hoe scheen menigmaal, alsof voor ben geen blijde toekomst meer zou aanbreken. Evenwel, God is getrouw. Al de eeuwen door wordt de belofte Gods levendig gehouden. Zij wordt telkens vernieuwd en verduidelijkt, zoodat er voor ’t geloof een vaste grond der hope was. Van alle gaven door God geschonken zou dit de allergrootste, de alleruitnemenste zijn, waarom de profeet dan ook met zooveel nadruk getuigt: een Zoon is ons gegeven. En van dien Zoon getuigt later apostel Johannes: „Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.”
Gelijk een groot en helder schijnend licht alle duisternis verdrijft en gelijk de heerlijkste spijze voor hongerigen bereidt, geeft God de Heere, in de gave van Zijn’ eeniggeboren en veelgeliefden Zoon, wat het eenige, maar ook volkomen genoegzame redmiddel voor zondaren, voor doemschuldigen is.
In dit land van tranen en zuchten, in deze wereld vol ellende, moeite en verdriet klinkt het Evangelie van Christus’ geboorte als muziek uil den hemel. Wie dat geklank mag hooren en dat Godsgeheim mag verstaan, die ziet op naar boven, die schept moed, en die kan zich verlustigen in meditatien over dat groote, dat onuitsprekelijke heil: God geopenbaard in ’t vleesch.
Ja dat doet als in heiligen wedijver ontstoken, den geloovige op weg naar het huis des gebeds in het binnenste zijner ziele uitroepen:

„Dat ’s Heeren huis van vreugde druische,
„Voor Israëls grooten Opperheer,
„De zee met hare volheid bruische;
„Gij gansche wereld, geef Hem eer!”

Neen, dan kan onze lof niet te hoog zijn gestemd. Van dat Kindeke ons geboren kan onze verwachting niet te groot zijn. De Gave in Hem ons geschonken, is in volkomen overeenstemming met de onvergelijkelijke grootheid van den Gever. Denk slechts, om iets te noemen, aan al die namen en eeretitels, aan dien Eeniggeborenen van den Vader toegekend. In welk een schoon beeld en teekenschrift hebben Gods heilige profeten, door de ingeving van den Heiligen Geest, Hem in de belofte reeds aan Gods oude volk voorgesteld. Neen, dan verwondert het u niet, dat koningen en profeten hebben begeerd Zijn dag te mogen aanschouwen. Dan verwondert het u niet, dat aller hope op Hem was gebouwd. En ge verwondert u evenmin, dat ge een Paulus hoort uitroepen: „De verborgenheid der godzaligheid is groot; God geopenbaard in het vleesch.” Zelfs van de engelen lezen we, dat ze begeerig zijn om in te zien in deze verborgenheid.
In dat kindeke van Bethlehem, dat een Man zal worden, die het land zal doorgaan, die aan het einde van Zijn arbeid, dien Hij op aarde verrichten zal, ten bloede toe vervolgd, ten laatste zal sterven aan een kruis op Golgotha, in Hem zal de vraag worden beantwoord, die noch door de wijsheid der menschen, noch door het verstand van engelen kan beantwoord worden, de vraag namelijk: hoe een arm zondaar, als kind van Adam, met God, die heilig en rechtvaardig is, verzoend en bevredigd kan worden. Dat antwoord geeft Christus de Heere zelve met te zeggen, dat Hij gekomen is om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Daartoe kwam Hij in de wereld, vleesch en bloed uit Maria aangenomen hebbende. Daartoe daalde Hij af uit de heerlijkheid des Vaders, om Zijne belofte, reeds in de stilte der eeuwigheid gedaan, te vervullen. Die belofte hield in, dat Hij de schuld Zijns volks zou betalen, hunne ongerechtigheid verzoenen en een eeuwig geldende gerechtigheid voor hen zou verwerven. Daartoe had Hij door den mond van één Zijner heiligen in de oudheid al getuigd: ziet Ik kom, o God om Uw welbehagen te doen, en Ik draag uwe wet in het midden mijns ingewands. Dat doet Gods heiligen door het geloof reeds eeuwen te voren jubelen:

„Die vet is, eet en knielt voor Israëls Heer,
Die ’t stof bewoont, bukt mede voor Hem neer!”. . . .

En nu we bij vernieuwing ten huize des Heeren worden opgeroepen, om gedachtenis te vieren van de komst van Gods Zoon in ’t vleesch, blijft dat woord van onverminderde kracht, als we zeggen; die gebeurtenis is ook nu nog een stof tot groote blijdschap. Waren er geen krankheden meer, wie zou naar een geneesheer verlangen. Waren er geen armen meer, waarom zou men naar een rijker bedeelde vragen, om door hem of haar geholpen te worden. Was er geen honger meer en geen behoefte meer aan spijze, wie zou nog vragen naar brood. Zoo zeggen we ook ten laatste: waren er geen zonden meer, dan zouden er ook geen ellenden meer zijn, en wat zou dan doen vragen naar Hem, van wien de engel Gabriël bij zijne aankondiging tot Maria zeide: „Deze zal groot zijn.”
Nooit kan de diepte der eeuwige, der Goddelijke liefde worden gepeild, welke in Christus als de gave Gods wordt aanschouwd. Het evangelie, dat met deze openbaring tot ons komt, is dan ook van eene onschatbare waarde. Moogt ge dat bij de prediking van Christus’ geboorte verstaan, dan zegt ge niet: er is voor mij geen raad. Dat evangelie toch wordt aan zondaren, aan ellendigen gepredikt, met de verzekering van ’s Heeren wege: die tot Christus komt, zal niet worden uitgeworpen. Die in Hem gelooft zal behouden worden voor eeuwig. Wat de zondaar daartoe noodig heeft, wil de Heere uit genade schenken. De Heilige Geest werkt dit door de prediking des Woords, want het geloof is uit het gehoor. Leerdet ge aanvankelijk dit geheim verstaan en werdt ge reeds deelgenoot van de vrucht, welke alleen aan Christus’ komst in de wereld is te danken, wat blijdschap kan dan worden genoten, als men in gemeenschap met zoo velen, die dezelfde geloofsverwachting deelen, in Gods huis mag aanheffen:

„Wat blijdschap smaakt mijn ziel,
„Wanneer ik voor U kniel,
„In ’t huis, dat Gij U hebt gesticht”. . . .

Dan is het aloude, maar altijd nieuwe evangelie, uw teerkost op den weg, de spijs, waarbij ge eeuwig leven zult.
Ging Israël weleer met blijdschap op naar de heilige stad tot de groote feesten door Jehovah ingesteld, en heette het dan:

„Hoe vroolijk gaan de stammen op
„Naar Israëls Godgewijden top,
„Met Israëls acht’bre vad’ren!”. . . . .

dan is er nu in den tijd der vervulling nog zooveel meer stof tot vreugde, dan toen men nog leefde in den tijd der belofte. Moge dan ook thans op ons heerlijk Kerstfeest én in de bedehuizen, én in onze woningen, maar allereerst in onze harten plaats worden bereid voor Israëls God en Koning, want is er bij ons geen plaats in de herberg voor Jezus, hoe zullen we dan op een plaats kunnen hopen in Zijne eeuwige heerlijkheid!

„Doch wie zal Zijn woord gelooven!
„dit verstaat geen vleesch en bloed,
„dat de Levensvorst van boven
„voor verloren zondaars boet,
„mensch, ja! kind wordt, lijdt en sterft
„en ons met Zijn bloed verwerft!” d. C.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1908

De Wekker | 4 Pagina's

Stof tot Kerstvreugde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1908

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken