Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Het is de Heere.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Het is de Heere.”

De derde openbaring

10 minuten leestijd

De derde openbaring . Hoh. 20 : 7b

Het is de derde openbaring van den Heere Jezus aan Zijne discipelen, nadat Hij van den dooden opgewekt was, welke apostel Johannes hier beschrijft.
Deze openbaring had plaats aan de zee van Tiberias.
Op die zee waren ‘s Heeren jongeren getuigen geweest van Zijn macht en majesteit.
De steden aan de oevers dezer zee gelegen, waren evenzeer menigmaal getuigen geweest van ‘s Heeren macht en heerlijkheid.
Na Jezus’ opstanding had echter dat geregelde verkeer en die dagelijkschen omgang met Zijne discipelen” niet meer plaats gelijk te voren.
Slechts van tijd tot tijd openbaarde zich de Heere aan hen.
Al dien tijd van af Zijne opstanding tot aan Zijne hemelvaart, bleek duidelijk, dat de Heere Zijne discipelen op een naderend scheiden wilde voorbereiden. Had Jezus vroeger tot hen gezegd, dat zij visschers der menschen zouden worden, nog is de tijd daarvoor niet aangebroken. Vandaar, dat we ons niet verwonderen moeten, als we hen hier aan het strand van Tiberias zich gereed zien maken, hun oud visschers-beroep voort te zetten.
Petrus ging daarin voor en anderen volgden hem.
Na een geheelen nacht te vergeefs gearbeid te hebben, is tegen den morgen het zevental discipelen met hun scheepje nabij het strand gekomen, en ziet daar staat Jezus op den oever, zonder dat zij weten wie hij is. Op eens klinken hun de woorden, als op de vleugelen van den wind gedragen, in de ooren: „Kinderkens, hebt gij niet eenige toespijs?”
„Neen,” is hun antwoord.
„Werpt het net aan de andere zijde van het schip, en gij zult vinden”, zoo laat de hun nog onbekende persoon er op volgen. Aanstonds geven ze hieraan gevolg, met zulk een verrassende uitkomst, dat zij het net niet meer konden trekken vanwege de menigte der visschen.
Wie zal zeggen, wat er in de harten dier mannen nu omging, vooral met het oog op hetgeen ze vroeger op soortgelijke wijze hadden mogen ervaren. Hoe zouden ze bij zulk eene wondervolle ervaring als ze nu hadden, niet de blikken gericht hebben naar Hem, die op den oever stond en op Wiens wenk zij zulk een uitkomst verkregen.
Eén hunner, die op zeer bescheiden wijs zijn naam verzwijgt, en toch zichzelven teekent met te zeggen, „de discipel dan, die Jezus lief had, zeide tot Petrus: „Het is de Heere”. Zeker hadden ook de anderen Jezus lief, maar één hunner, die later wel de apostel der liefde genoemd is, had Jezus, we zouden haast zeggen, op geheel eenige wijze lief.
Zonder twijfel hebben we daarbij aan niemand anders te denken dan aan Johannes, den man, die zelf deze dingen schrijft, waaruit verklaarbaar is, dat hij daarbij zijn eigen naam niet nadrukkelijk vermeldt.
Met dat zeggen: „Het is de Heere”, zullen ze ongetwijfeld Jezus sterk hebben aangezien, en Petrus is er zoo door getroffen, dat hij, nu ze toch nabij het land zijn, zichzelven in de zee werpt, en er zich volkomen van wil overtuigen, dat het waar is, wat Johannes heeft uitgesproken, dat het de Heere is.
Aan Jezus, aan niemand en aan niets anders hebben ze den zegen te danken, die in hun net besloten is.
Klonk het eerst van hunne lippen, op de vraag of zij ook eenige toespijs hadden, zoo arm mogelijk, in dat eene, veel beteekenende woord „neen”, in Hem, die in den vroegen morgen hun zoo vriendelijk en verrassend bezoekt, is een overvloed van zegeningen.
Spoedig zal de tijd voor hen aanbreken , dat ze voor altijd hun vischtuig verlaten en hun oud beroep vaarwel zeggend, als visschers van menschen zullen optreden. Staan zij dan later tegenover menschen, die als arme zondaren hun vragen om spijs, waarbij men leven kan tot in eeuwigheid, dan kunnen ze ook antwoorden en zeggen: wij hebben die spijs niet, maar dan weten zij in en bij Wien alles te zoeken en te vinden is, wat een zondaar voor tijd en eeuwigheid noodig heeft, om waarlijk gelukkig te zijn.
Hoe onderscheiden ook in gaven, dan zal aller prediking dezelfde inhoud hebben. Geroepen om getuigen van hunnen Heere en Zaligmaker te zijn, is steeds aller antwoord op de vraag van wie en van waar dat heil moet komen: het is de Heere.
Veel is dezen mannen noodig, want allergewichtigst is de taak, waartoe de Heere hen heeft verkoren.
Maar op de vraag, hoe zal het mogelijk zijn, dat menschen van zulk een geringe afkomst en met zulk eene geschiedenis aan die roeping kunnen beantwoorden, zal in de woorden: het is de Heere, alles gezegd zijn.
Hij, die zulk een tijdelijken zegen in die wondervolle vischvangst bereidde, was machtig, hen tot alles te bekwamen.
En als, te beginnen met den Pinksterdag, het Woord als een vischnet uitgeworpen, hun een onbeschrijfelijk heerlijke uitkomst doet aanschouwen , dan weten zij en spreken dit ook onverholen uit, dat niet hun wetenschap noch gaven dit hebben gedaan, maar dat bet de Heere is, die alzoo Zijn eigen Woord en belofte bevestigt, en daarmede Zijne macht, majesteit en heerlijkheid openbaren zal.
Nooit kan dit ernstig genoeg worden bedacht, nooit kunnen we elkander daar te veel en te ernstig aan herinneren, dat het de Heere is, van wien wij allen zegen moeten ontvangen.
Dat is de vrucht van Christus’ heerlijke en glorierijke opstanding. Niet van een dooden, maar van den levenden Christus gaat die kracht uit.
Als de Verwerver van den vrede, wordt in Zijnen Naam vrede verkondigd dien, die verre, en dien, die nabij zijn. Vrede door het bloed des kruises. Vrede voor Adamskinderen, voor doemelingen, voor hen, die den eeuwigen dood hebben verdiend.
Vrede voor een iegelijk, die in Hem gelooft en in waarheid tot Hem de toevlucht neemt met al zijn zonden en ellenden, om door Hem gered en gezaligd te worden.
Later schrijft diezelfde Johannes in zijn eersten algemeenen Zendbrief: het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van ons alle zonde. Zij zullen het wel wel nooit hebben vergeten , die discipelen, die daar in de derde openbaring van Jezus deelden, wat op de zee en aan het strand van de zee van Tiberias is voorgevallen. Wat door één hunner hier is uitgesproken in die woorden: het is de Heere, daarin ligt het antwoord op meer dan duizend vragen.
Niet slechts voor dat zevental der discipelen, maar ook voor ons, en we mogen er in éénen adem wel bijvoegen, voor geheel de kerk des Heeren.
Die discipelen hebben het geleerd, want ook zij waren menschen van gelijke bewegingen als wij.
En wat hebben ze, bewust van eigen zwakheid en gebrek, er kracht in gezocht en gevonden, in moeielijke oogenblikken, onder groote gevaren en bange nooden.
Dat maakte hen sterk en dapper, dat.maakte hen moedig, zelfs in het grootste gevaar, dat zij wisten dat het de Heere was, die hen had uitgezonden, die hun Zijn kracht en hulp had toegezegd en die hun verzekerd had, zij zouden eens met en door Hem overwinnen. Onstuimiger dan de wateren van de zee van Tiberias zouden die der groote wereldzee zijn, waarop ze moesten gaan arbeiden,
Aan teleurstelling en tegenstand zou het hun niet ontbreken, maar geen nood, het was de Heere, in Wiens Naam zij konden spreken, op Wiens hulp zij konden rekenen, aan Wiens leiding zij zich konden toevertrouwen. Zij wisten nu eenmaal, wie Hij was, dien ze op dien onvergetelijken morgen op de zee van Tiberias als den Heere herkenden.
Het was dezelfde Heere met wien ze drie jaren lang hadden omgewandeld, Wiens onderwijs zij al dien tijd hadden genoten, en van Wien zij toen al herhaalde malen hadden beleden, dat Hij was de Christus, de Zoon des levenden Gods.
Wat ze te voren nog niet verstonden, is hun later door de werking en den invloed des Heiligen Geestes volkomen duidelijk geworden, dat de Christus moest lijden en sterven en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan.
En toen het volle licht hun is opgegaan over geheel het Middelaars-werk van Christus, hebben zij zelve in de eerste plaats beter dan ooit verstaan, als, in onderscheiding van aller anderen persoon en werk, Christus door hen als de Heere werd erkend.
Noodzakelijk is dit, om het goed en wel te weten, niet alleen voor ieder evangeliedienaar, maar ook voor ieder, die meent en hoopt een discipel of een discipelin van Jezus te zijn.
Wie gevoelt niet bij nadenken, hoe groot het onderscheid is of we te doen hebben met Gods werk of louter met menschenwerk.
Dit wel te weten, en nauwkeurig te onderzoeken, is zoo noodzakelijk voor ons eigen hart en leven, want daar hangt ons wél of wee aan voor de eeuwigheid.
Ontroeren kan het ons, als we zien en opmerken, dat hier zoo weinig op gelet, zoo weinig mee gerekend wordt. En toch is het zeker en gewis: bij de kennis die we hebben van de waarheid en van de leer des heils, bij de openbaring, welke wij geven in ons leven naar buiten, in de belijdenis, welke wij met eigen lippen uitspreken, komt alles aan op de vraag: is het de Heere, of is het wat anders, waardoor we weten wat we weten, en doen wat we doen.
Hetzelfde geldt in de beoordeeling van alles, wat onder den vorm van het discipelschap van Christus in de wereld, ja zelfs in de kerk zich voordoet. De ongeloovige Joden zeiden tegen Christus: wij zijn Abrahams zaad, maar het antwoord des Heeren was: indien gij Abrahams kinderen waart, dan zoudt ge Abrahams werken doen.
Zoo was het tijdens Christus’ omwandeling op aarde en zoo is ook nu nog. Dat is een levenswet, die nooit verandert.
Elke boom wordt aan zijn vrucht gekend.
Bij oprechte heilzoekende zielen hebben we vaak in ons leven bekommering, ernstige bekommering ontdekt omtrent de vraag voor eigen persoon; bezit ik de zaak of mis ik de zaak, waar het voor de eeuwigheid op aankomt. Het staat niet aan menschen, die geen harte kenners zijn, om in dezen een absolute rechtsgeldende uitspraak te doen zulks komt alleen den:Heere toe.
Maar wel kunnen we middelijkerwijs in dezen onder Gods zegen elkander tot een hand en een voet zijn. Ons is altijd gebleken, dat er veel menschen zijn, die in dezen grootelijks dwalen door te veel van menschen en te weinig van den Heere te verwachten.
We hebben menschen gekend, die dezen of genen zijn rechtvaardiging voor God hadden hooren bespreken, en daardoor zoo getroffen en geslagen waren, dat ze maar altijd hun eigen staat betwijfelden.
En op de vraag „waarom?” kan alleen geantwoord: omdat zij zelve een geheel andere geschiedenis en ervaring achter zich hadden.
Er zijn menschen, die ge nooit anders dan over rechtvaardiging hoort spreken.
Doch met elke heilsweldaad, met elke openbaring van het geestelijke leven is het maar steeds de vraag: is het de Heere, die in ons werkt en zich daardoor aan ons openbaart.
Bij de beoordeeling van wat men is en wie men is, dient ons onderzoek te gaan over de vraag, of hetgeen we hebben en meenen te hebben, uit den mensch kan zijn of dat we bij grondig onderzoek moeten zeggen en erkennen: het is de Heere, uit wien we lust ontvingen om Hem te dienen. Het is de Heere, in en door wiens kracht we strijden tegen den duivel, de wereld en ons eigen bloed. Het is de Heere, op Wiens Woord en belofte al onze hoop is gebouwd.
Dat te zien door het geloof en daarin te worden onderwezen door Gods Geest, doet Gods kind, hoe zwak ook in zichzelven, moed grijpen en vertrouwen, dat Hij, die het goede werk in hem begon, dat ook voleindigen zal tot op den dag Zijner heirkracht.
Eenmaal zullen alle door Jezus verloste zielen den Koning in Zijne schoonheid zien, en dan zullen ze allen als met éénen mond belijden, als Christus in heerlijkheid zich openbaren zal:

Het is de Heere!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 8 April 1910

De Wekker | 4 Pagina's

„Het is de Heere.”

Bekijk de hele uitgave van Friday 8 April 1910

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken