Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vroegdoop (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vroegdoop (2)

4 minuten leestijd

Door de bepaling van Art. 56 D. kerkorde omtrent het doopen „zoo haast dezelve geschieden kon”, wilde men dus verhinderen dat het kind terstond na de geboorte ter doop gebracht werd.
Men moest wachten tot de eerste godsdienstoefening.
Hoe diep de vrees voor ongedoopt sterven van een kind er nog in zat, wordt aangetoond door Dr. Olthuis in „de doopspractijk der Geref. Kerken van 1568—1816” waar hij op bladzijde 64 zegt:
„Een duidelijk voorbeeld, hoe bevreesde ouders den doop vroegen, geeft het doopboek van Nigtevecht in eene aanteekening van het jaar 1669: „Den 6den Aug. op een Vrijdagnamiddagh nadat op ‘t luiden der kloeke eene vergadering was ‘t samen gekomen, is gedoopt het kind van Abraham Willemsz van Wildenburg, vermits het kind seer swack was en de ouders, ongerust zijnde, den tijd van ordinaris godsdienst niet konden afwachten.”
Is het wonder, dat onze vaderen, bij zooveel vrees voor ongedoopt sterven, bepaalden dat de doop plaats zou vinden zoo haast de bediening er van kon geschieden?
Daarbij moest ook gewacht tegen noodeloos uitstel aan de andere zijde. Er waren weer anderen die uit lichtzinnigheid uitstelden.
Dikwijls werd gewacht tot er goede gelegenheid was een doopmaal te geven. Natuurlijk wilde de moeder ook wel bij het doopmaal zijn en werd dan de doop uitgesteld tot de moeder genezen was.
Daar op zulke doopmalen veel bier gedronken en veel lekkernij gegeten werd, kostte de maaltijd, kinderbier genoemd, soms veel geld en wachten sommigen daarom met den doop tot een tweede kind geboren was, dan behoefde men maar één doopmaal te geven.
Op de Synode te Arnhem 1598 werd reeds gezegd: „Dewijl ook bevonden wordt dat velen, bijzonder ten platten lande, hunne kinderen ongedoopt laten blijven, niet alleen eenige weken en maanden, maar ook jaren, zoo zal men ook een zekeren tijd voorschrijven binnen welken een ieder gehouden zal zijn zijne kinderen ten doop te presenteeren.
Zelfs word in 1620 op de Synode te Zutphen geklaagd „dat vele kinderen langen tijd ongedoopt blijven, somtijds jaren en dagen, door naligentie (onachtzaamheid) der ouders, die dit doen om der kinder hier en wille, waar zij naar wachten.”
Gevolg van dit „moetwillich verschloffen” des doops, was dat de prov. Synode van Zuid-Holland aan de Dordsche Synode van 1618 een bezwaar indiende betreffende het „uitstel van ‘t doopen.”
Do Synode bepaalde daarop in Artikel 56 der kerkorde, dat de doop „zoo haast men dezelve hebben kan” zou geschieden.
Ja met het oog op het uitstel tot de moeder kon medegaan en dan tevens aan het doop-feest kon deelnemen, zoodat in de deftige standen gewacht werd tot het kind zes weken oud was, bepaalde de Synode van 1574 reeds in Art. 57: „Maar de affectie der ouderen, die den doop harer kinderen begeeren uit te stellen, ter tijd toe dat de moeders zelve hare kinderen presenteeren ofte op de Gevaders (getuigen) lange wachten en is geen wettelijk oorzaak om den doop uit te stellen.”
Uit al deze historische gegevens is duidelijk, dat de tijdsomstandigheden aanleiding waren dat de vroegdoop, in den zin van: „zoo spoedig er gelegenheid tot doopsbediening is”, door de Dordsche Synode voorgeschreven werd.
Waar thans de tijdsomstandigheden zijn veranderd en eenerzijds noch vrees bestaat dat ouders hun kind „heimelijk bij den paap” laten doopen noch anderzijds moeders mee ten doop gaan om ook bij het doopmaal tegenwoordig te zijn, daar wordt niet in strijd met den geest der kerkorde gehandeld, wanneer met den doop gewacht wordt tot de moeder mee kan gaan, maar wel, wanneer noodeloos langer gewacht wordt.
Een doop zonder bijzijn der moeder n.l. bij de eerste gelegenheid tot doopsbediening, bevordert juist wat de kerkorde wil bestrijden, n.l. het Roomsche bijgeloof dat de doop noodzakelijk is ter zaligheid.
Nimmer is het „haastig doopen”, in Art. 56 der D. kerkorde voorgeschreven, dan ook zoo letterlijk in practijk gebracht als in de achttiende eeuw, toen de Gereformeerde Kerk begon te vervallen en het bloeitijdperk der Geref. leer reeds achter den rug was.

Dat hopen wij de volgende maal te zien. .

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1910

De Wekker | 4 Pagina's

Vroegdoop (2)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1910

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken