Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De geschiedenis der Doleantie (37)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De geschiedenis der Doleantie (37)

Hoofdstuk III

5 minuten leestijd

Maar wat deed de kerkeraad. Zoodra hij vernam wat het prov. kerkbestuur had besloten, nam hij den 21 Sept. het besluit die afgevaardigden niet te ontvangen en in eene uitvoerige memorie, kennelijk door Dr. Kuyper opgesteld, zette hij de reden daarvan uiteen. De spanning nam hierdoor natuurlijk toe en met belangstelling wachtte men in den lande af, wat hiervan het einde zou zijn. De Synode wist echter het conflict zorgvuldig te ontwijken. De kerkeraad van Utrecht had verklaard geen bezwaar te hebben tegen de beantwoording van de vragen van zuiver administratieven aard. De Synode besloot nu, dat alleen dan een onderzoek naar de belijdenis en den wandel der kerkeraadsleden zou worden ingesteld, wanneer het verlangen daarnaar door een der kerkeraadsleden zou zijn te kennen gegeven. Dientengevolge had elke kerkeraad en dus ook de Utrechtsche het recht, die vragen, die hij niet beantwoorden wilde, onbeantwoord te laten. Daarmede was het conflict geeindigd en bij de kerkvisitatie die in 1869 te Utrecht gehouden werd, was het aldus: dat vele leden en daaronder drie predikanten het standpunt vertegenwoordigden vóór twee jaren door den kerkeraad ingenomen van te antwoorden op alle vragen, uitgenomen die welke de belijdenis aangaan. Eenige anderen met een predikant legden zich neder bij de antwoorden, die de kerkeraad wilde geven, maar met reserve ten opzichte van de belijdenis. Een aantal anderen, waarbij de overige predikanten, hebben, evenals zij vroeger gewoon waren, nu ook op alle vragen geantwoord. En eindelijk was er een lid, die in ’t geheel niets geantwoord wilde hebben. Naar waarheid kon er dan ook in de Synodale Handelingen van 1869 aan het einde van een kort verslag over deze zaak worden gezegd: „Doch wij eindigen, na hier nog te hebben bijgevoegd, dat uit de later ingekomen verslagen van het kerkbestuur van Utrecht blijkt, dat te Utrecht de vragen gedaan bij de persoonlijke of schriftelijke kerkvisitatie beantwoord waren, en wij de uitdrukkelijke verklaring van genoemd kerkbestuur vinden, dat de kerkeraad van Utrecht op den weg van gehoorzaamheid aan de kerkelijke verordeningen was teruggekeerd, en dat het nu meende het gebeurde van het vorige jaar te mogen en te moeten voorbijzien.” De Synode had wat water in den wijn gedaan en Utrechts kerkeraad had zijne onverzettelijke houding gewijzigd en voorloopig was alles weer pais en vree.
Maar reeds kort daarop ontstond een tweede geschil, wel niet met de besturen, doch met de broederen, dat ten gevolge had, dat de bedoelingen van Dr. Kuyper meer werden gekend en velen onder de broederen hunne verhouding tot hem geheel veranderden. De driehonderjarige gedachtenisviering van het Convent te Wezel had het denkbeeld doen rijpen, om de oude vriendschapsbanden tusschen de Duitsche en Hollandsche zusterkerken weer aan te knoopen. De ziel van deze beweging was Dr. van Toorenenbergen, die in overleg met eenige andere Nederlandsche theologen besloten had eene uitnoodiging te richten aan de Duitsche godgeleerden tot eene samenkomst in 1868 te Zeist.
Gedachtig aan het feit, tot welks herdenking men bijeen kwam, wenschte Dr. Kuyper dat de conferentie haar Christelijk-Gereformeerd karakter toonen of allengs winnen zou. ’t Was hem natuurlijk ondragelijk dat deze vergadering bijeen geroepen om te herdenken, hoe drie eeuwen geleden de Nederlandsche Calvinisten te Wezel zamen kwamen om voor hunne kerken, naar zij zich uitdrukten, te beramen „’t gene sy tot welstand der selve oordeelden, ten deele nootsakelick, ten deele profytelick zou zijn” een anti-Calvinistisch karakter zou toonen. Van Hollandsche zijde geraakte echter de leiding der Conferentie allengs geheel in handen van twee kleine fractiën onzer kerk, de Ethischen en de Groningers. Daartegen verzette Dr. Kuyper zich met kracht en hij drong er op aan, dat de leiding der Conferentie òf de geheele kerk vertegenwoordigde, in welk geval naast de Utrecht-schen en de Groningers, ook Gereformeerden en Modernen behoorden te zitten, òf men moest zich op het standpunt der Schriftaanvaarding plaatsen, mits men dan ook de Groningers voor de Gereformeerden uitwisselde.
Dit punt bracht Dr. Kuyper onmiddellijk na het openen der Conferentie ter sprake.
Maar een storm van verontwaardiging brak los. Een predikant in zijn nabijheid durfde te zeggen: „dat dit uit den duivel was”. Aan scherpe uitvallen ontbrak het niet. Eindelijk stelden twee Duitsche predikanten Tabri en Kögel een motie voor, waarin zij verzochten dat het moderamen der Conferentie deze zaak met Dr. Kuyper bespreken zou. En deze motie werd met overgroote meerderheid aangenomen. Daarop werd de rust hersteld en kon de Conferentie geregeld voortgang hebben. Maar Dr. Kuyper had daarmede de Groningers op geduchte wijze tegen zich in het harnas gejaagd, want met een niets sparende openhartigheid had hij hun aanvaller prof. Hofstede de Groot verweten dat hij de voornaamste waarheden van het allerheiligst geloof had aangetast. Want deze hulde mag hem niet worden onthouden: dat niemand destijds zoo front maakte tegen Modernen, Groningers en Ethischen als hij. Met kracht verdedigde hij de grondwaarheden van het Christelijk geloof en zulks op gansch andere wijze als waarop Doedes en Van Oosterzee dit hadden gedaan. Hun apologetisch-irenische methode had nooit de instemming van het Gereformeerde volk gehad en evenmin heeft dit hoog geloopen met genoemde mannen. Noch Van Oosterzee, noch Doedes hebben ooit voor rechtzinnig gegolden en nog veel minder het vertrouwen van het Gereformeerde volk gehad. Maar Dr. Kuyper was de man naar hun hart, In hem zagen ze het instrument, dat God had toebereid om de kracht der dwaling te weerstaan, en steeds grooter werd het getal dergenen, die hem volgden.

L. (Leiden) J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912

De Wekker | 4 Pagina's

De geschiedenis der Doleantie (37)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1912

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken