Bekijk het origineel

Brieven uit het Zuiden 1913 (X)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Brieven uit het Zuiden 1913 (X)

3 minuten leestijd

De tijd ligt nog niet verre achter ons, waarin we schier geen blad in handen kregen of men kan er iets in lezen over het „geele gevaar.” Daarmee werd dan gezinspeeld op de ontwikkeling en den invloed van Japan, wat naar velen toen meenden ons Europeanen, wel tot nadenken en voorzichtigheid behoorde te stemmen. Thans wordt uit een ander vaatje getapt en begint men althans van zekere zijde steeds meer te spreken van het „zwarte gevaar.” Zoo werd er deze dagen een geschrift (pamflet) door het geheele land verspreid, waarin over dat „zwarte gevaar” gehandeld wordt. De Wekker is geen politiek blad, en gelijk we meermalen gezegd hebben, voor politiek kunnen we onze kolommen niet open zetten.
Het is dan ook minder te doen om de politiek, als wel om het beginsel dat onder ons Nederlandsche volk dienst moet doen, om den één de oogen te verblinden met valsche voorstellingen, den anderen op te hitsen tot kwade praktijken, en om niet meer te noemen, vuur te stoken, waar ernstig tegen gewaarschuwd moet worden. De schrijver van bedoeld geschrift noemt zich een vrijziunige en beweerd dat er op politiek gebied slechts twee partgen zijn „de zwarten en de rooden,” Die zwarten zijn óf de mannen van Dordt, (Gereformeerden) of de mannen van Rome (Roomschen). Die beiden worden, in hooger éénheid gedacht, de zwarten genoemd.
De rooden zijn de socialisten, met al wat liberaal, modern, vrijzinnig is, of hoe ge ze maar noemen wil, allen wagens aangehaakt aan den rooden locomotief; ergo: een trein, in tegenstelling met genoemde „zwarten", „rooden" genoemd. Die zwarten hebben het natuurlijk gedaan. Tegen deze kan niet te ernstig worden gewaarschuwd. Deze moet men overal uit trachten te weeren, hun invloed fnuiken, hun macht beteugelen, want van die zwarten is nooit iets te wachten dat goed is. Zij zijn zwart en zij blijven zwart. De rooden daarentegen zijn de mannen der verlichting, zij meenen het wél met de armen en de verdrukten. Laat hen aan de regeering komen, dan kunt ge verzekerd zijn, dat de gouden eeuw zal aanbreken. Onder al dat voorgeven en al de redeneeringen spreekt zich duidelijk uit een geweldige haat en afkeer van God en Zijn heilig Woord. Gaven en krachten leggen er zich op toe, schatten heeft men er voor over, om, als het mogelijk is, de tijd terug te doen keeren, waarin men ook op onze vaderlandsche erve, in navolging van wat destijds in Frankrijk geschiedde, begon te roepen van: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Wie nu geen vreemdeling is in de historie kan weten, wat die valsche leuze van de Fransche revolutie ons vaderland heeft gekost. Het ware te wenschen, dat het opkomend geslacht, wat beter met de geschiedenis bekend ware, dan zou men verstaan, dat er ook in dezen niets nieuws is onder de zon, en dat die voorgevende vrijheid alleen dient om ons in de zwaarste dienstbaarheid te brengen. O het is zoo gemakkelijk om het volk op te zweepen, om hooggeplaatste en eerwaardige mannen verdacht te maken, en om onder allerlei valsche voorwendsels de onkundige menigte te misleiden. Het is zoo gemakkelijk om af te breken wat anderen hebben gebouwd, en om door een afbrekende critiek al het goede door anderen verricht te veroordeelen, maar wat beters in de plaats te geven is wat anders. In dit opzicht hebben de „rooden" tegenover de „zwarten" een hoog woord, maar helaas! bewijzen met daden te leveren, dat men het beter weet en beter kan, blijft men schuldig. Een christen ziet en hoort dit alles aan, en kan er veel uit leeren. Ten allen tijde is gebleken de waarheid van hetgeen God in Zijn Woord getuigt: „Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen." Zoo gaat het in ons persoonlijk, in ons kerkelijk, in ons maatschappelijk, in ons staatkundig leven. Zoo gaat het op elk levensterrein. Daarom zegt de christen ook, dat er maar twee soorten van menschen zijn. Maar in plaats van te spreken van „zwarten" en „rooden", spreken we dan van geloovigen en van ongeloovigen. Eén van beiden: wij erkennen het bestaan van God als Schepper en onderhouder van alles, en dan is natuurlijk de hoogste macht in God, — of we verwerpen dit, en dan stelt de mensch in zijn blindheid zich feitelijk boven God. Daaruit ontstaat nu de worsteling welke we in de wereld steeds grootere afmetingen zien krijgen, en die eerst dan haar eindpunt zal hebben bereikt, als het rijk der duisternis volkomen en voor eeuwig zal overwonnen zijn door Hem, die alle macht bezit in hemel en op aarde. 

P.S. Niemand denke bij het lezen van het bovenstaande, dat we een meer of minder bedektelijk pleidooi wilden houden voor het samengaan van Gereformeerden met Roomschen op politiek gebied.
Dit is een politieke kwestie, die in een politiek blad thuis behoort. Om daar op in te gaan zouden we te veel ruimte noodig hebben, welke we daarvoor niet kunnen afstaan. We hebben er alleen op willen wijzen, hoe men alles en allerlei te hulp roept, om toch het socialisme in de hand te werken.

Z. (Zierikzee) W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1913

De Wekker | 4 Pagina's

Brieven uit het Zuiden 1913 (X)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1913

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken