Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze liturgische geschriften (XXIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze liturgische geschriften (XXIII)

Algemeen deel

6 minuten leestijd

In de Roomsche kerk zijn peter en meter beslist noodzakelijk hij den doop. Dit was nooit 't geval in de Geref. kerk. Reeds de Synode te Wesel 1568 sprak uit, „het gebruik van bijzondere getuigen, die men Peters en Meters noemt, wordt gelaten in ieders vrijheid” (6—3).
Wanneer wij dan ook de oudste Synode verslagen opslaan dan zien wij gedurig hoe onze kerk langzamerhand het stelsel van doop getuigen liet varen en met nadruk de volle verplichting en roeping den ouders voorhield.
Zoo sprak de Synode te Embden 1571 uit „getuigen in den doop te nemen of niet te nemen achten wij voor een middelmatig ding”. In gelijken geest hebben zich de volgende Synoden uitgesproken, wat zeer goed te verklaren is, wijl de kerk maar al te goed zag dat in de praktijk de doopgetuigen van weinig of geen beteekenis waren. Dit behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij weten dat Smytegeld over de doopgetuigen moest klagen, „zij zijn dikwijls niet rechtzinnige onvrome lieden, die zelfs goede conscientie van 't verbont maeken, maar meermaal onrechtzinnige, onwetende, Godlooze en Prophaene; zij zijn dikwils bolle en domme menschen die niet eens weten of bevatten de plegtigheid, die zij bijwonen of wat ze daar belooven: en men doet het dikwijls maar om de statie en om de gifte, die men indertijd daar van verwagt”.
Nu kan men licht vermoeden dat de kerk al het mogelijk deed om de ouders te overtuigen dat zij de door God geroepen personen waren, die de doopsbelofte hadden af te leggen.
Dit nu is mede de beteekenis der Synode van 1574 geweest, dat zij bij de wijziging der derde doopvraag waar zij uitdrukkelijk de vader noemde en van hem afzonderlijk de doopsbelofte afnam, terwijl den getuigen slechts een vermanend woord werd toegesproken, een stap in goede richting heeft gedaan en 't oog voor de zuivere Gereformeerde opvatting beter heeft geopend, dat niet de getuigen naast de ouders bij den doop mogen optreden, maar dat de ouders voorop gaan en geroepen zijn de doopsbelofte af te leggen!
Door dit Synode besluit was feitelijk het nemen van doopgetuigen overbodig geworden, wijl het daardoor zijn beteekenis verloren had. Alleen de macht der gewoonte kon nu het volk nog tot dat oud gebruik doen overhellen, maar de kerk legde den vollen nadruk op de tegenwoordigheid der ouders bij den doop en sprak dit juist door de wijziging der derde doopvraag zoo duidelijk en krachtig uit.
Nu is het opmerkelijk dat hoe meer wij de oude acta der Synoden en ook ons doopsformulier inzien, meestal alleen van den vader en niet van de moeder gesproken wordt. Gedurig leest ge in de besluiten der oudste Synoden „de vaders zijn gehouden en behooren vermaand te worden bij den doop hunner kinderen te zijn”, (art. 51 Synode Dordrecht 1574, art. 61 Dordrecht 1578, art. 40 Middelburg 1581, Art. 51 's Gravenhage 1586, art. 57 Dordrecht 1618/19. Dit nu heeft aanleiding gegeven dat men de gedachte koesterde, dat wel de vader maar niet de moeder bij den doop behoefde aanwezig te zijn.
Wij weten hoe van Neo-Gereformeerde zijde dit als het Gereformeerde wordt voorgesteld en dan beroept men zich met voorliefde op de uitspraken dezer Synode uit den bloeitijd der Gereformeerde religie
Toch geloof ik, wat wij tegenwoordig zien van vele Neo-Gereformeerden om onmiddellijk na de geboorte den doop te vragen en niet de wachten tot dat de moeder hersteld is, niet strookt met de bedoeling onzer Gereformeerde vaderen, en men althans geen recht heeft om dat als het Gereformeerde voor te stellen.
Beroept men zich dan vooreerst hierop, dat de oude Synode besluiten toch uitsluitend de vader noemen, dan is dit toch een zeer zwak bewijs, want in hetzelfde Synodebesluit waarin uitdrukkelijk de vader wordt genoemd, wordt even verder van de ouders gesproken.
De Synode van Dordrecht 1578 bepaalde in art. 61, de vader des kinds, dat te doopen is, zal inzonderheid bij den doop zijn, ten ware dat hij gewichtige oorzaak had voor zijn afwezen, opdat hij voor zijn kind bidde en 't zelve den Heere opdrage en belove te doen, 't welk hen van den kerken dienaar voorgehouden wordt, achter volgende het formulier in de bediening des doops gesteld.
De ouders eer zij 't kind ten doop brengen zullen bij een kerkendienaar of Ouderling gaan, op dat de gemeente kennis hebbe van degenen, die gedoopt worden”. Deze uitspraak der Synode, welke met nog meerdere zou kunnen worden aangevuld, bewijst glas helder, dat nooit bedoeld is om de moeder uit te sluiten maar dat het van zelf spreek, wanneer de vader van het kind bij den doop tegenwoordig was, ook de moeder niet achterbleef. Van daar dat men in de oude acta nu eens alleen van den vader en dan weer van ouders sprak. Het bewijst dus niets wanneer de Neo-Gereformeerden met een beroep op de uitspraken dezer Synoden hun eenzijdig drijven willen verdedigen, dat de moeder best gemist kan woeden bij den doop van haar kind en dat onze Vaderen in den bloeitijd dit standpunt zouden hebben ingenomen.
't Is waar, dat onze vaderen immer hebben aangedrongen om den doop zoo spoedig mogelijk te vragen. Geen wonder, wijl zij leefden in een tijd, waarin velen den doop verwaarloosden en van maand tot maand ja soms van 't ééne tot 't andere jaar uitstelden. Ouders, die de doopgetuigen niet een flink doopmaal konden voorzetten, en hen niet op „de kinderbieren” konden onthalen, wachtten dan maar liever tot den tijd, dat hen dit gelegen kwam en de beurs het toeliet. Wie begrijpt onder zulke droeve tijdsomstandigheden dan de uitspraak onzer Synoden niet. Het verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen door den doop, zoo haast als men de bediening daarvan hebben kan, bezegeld worden.
Dit „zoo haast” enz. ziet stellig op 't verwaarloozen van den doop en dan zijn wij het nog steeds van harte met onze vaderen eens.

K. (Kampen) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 April 1913

De Wekker | 4 Pagina's

Onze liturgische geschriften (XXIII)

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 April 1913

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken