Bekijk het origineel

De zegen der verbrokenheid.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De zegen der verbrokenheid.

8 minuten leestijd

„Omdat uw hart week geworden is zoo heb Ik u verhoord “ 2 Kon. 22:19.

Josia, aangaande wien bovenstaande tekstwoorden cm. door God gesproken werden, was één der vrome koningen van Juda.
Nog maar 8 jaar oud toen zijn goddelooze vader stierf, was hij natuurlijk te jong om den troon te bestijgen. Daarom werd zijne godzalige moeder tijdens zijne minderjarigheid regentesse, die in haar zware taak gesteund werd door hoogstaande en godvreezende leidslieden, waartoe ook de profeet Jeremia behoorde.
De jeugdige Josia genoot daardoor een godvruchtige opvoeding, want niet alleen zijne vrome moeder scherpte hem de noodzakelijkheid van God te dienen in, maar ook de godzalige Jeremia zal menig uurtje met Josia doorgebracht hebben om hem onderwijs te geven in de hoogste dingen.
Het voorrecht is groot als een kind eene godvruchtige opvoeding mag genieten. Niet alsof door de opvoeding onze kinderen bekeerd kunnen worden. Dat natuurlijk niet. Dat moet en kan alleen Gods Geest doen. Maar waar de Heere in den regel middellijk werkt, behaagt 't Hem soms ook om eene opvoeding naar zijn Woord als middel te gebruiken, waardoor beslag op de ziel wordt gelegd.
Zoo was 't voor Josia ook een zegen, dat zijne moeder hem nauwkeurig gadesloeg en dat een Jeremia zijn vriend was.
Toen hij dan ook zelf de teugels van het bewind in handen had genomen heeft hij getoond, dat zijne ziel met godsvrucht was vervuld. Dit bleek al spoedig uit zijne reformatorische daden. Hij roeide de afgoderij uit. De valsche priesters werden afgezet. De vuren van Moloch werden gebluscht. De aan de zon gewijde paarden liet hij wegnemen en de wagens verbranden. Te Bethel, dat een Beth-aven (huis der ijdelheid) geworden was, waar goddelooze profeten begraven waren, liet hij de afgodsaltaren tot gruis slaan en de beenderen der goddelooze profeten opgraven en verbranden op de puinhoopen der afgodsaltaren.
't Was Josia waarlijk hooge ernst om God te dienen en als koning zou hij niet dulden, dat het volk zich neerboog voor hout en steen.
Zijn goddelooze vader had de zonde aangemoedigd; de vrome zoon stuitte haar.
Welnu, tot dezen vromen Koning kwam de troostrijke boodschap, in den naam des Heeren gebracht door de profetesse Hulda.

Josia's hart was week geworden en natuurlijk luidt nu de vraag, wat er dan toch voor bijzonders was.
Men moet dan weten, dat reeds ge ruimen tijd de heilige tempel te Jeruzalem in een verwaarloosden toestand was. De noodige herstellingen en het gewone onderhoud had men grovelijk verzuimd. En natuurlijk a's aan een huis of kerk niet de hand gehouden wordt gaat het dubbel achteruit. Zoo had men den tempel maar laten verouderen zonder er een hand aan te slaan. Maar dat kon Josia niet langer dulden. Hij stelde alles in actie om de breuken van het Huis des Heeren te doen restaureeren. Dat moest vanzelf heel wat geld kosten, maar op zulk een indrukwekkenden voorgang van het Staatshoofd bracht het volk wat geld bijeen, dat door de Levieten werd gecollecteerd en in de geldkist des tempels werd bewaard tot tijd en wijle de betaling moest geschieden.
Nu zond Josia zijn minister Safan naar Hilkia, den Hoogepriester met de boodschap om het geld op te tellen en het aan de opzichters van de herstellingswerken uit te reiken om de arbeiders uit te betalen en de rekening der gebruikte materialen te voldoen. Maar wat gebeurt ?
Bij het nazien van één en ander vindt Hilkia een oude rol, die in geen jaren scheen ontrold te zijn. Hilkia ontrolt de gevonden rol, leest, leest met stijgende verbazing en diepe ontroering want — het gevonden perkament was niet minder dan het heilige kleinood van den pentateuch. De rol toch bevatte de 5 boeken van Mozes. Hilkia reikt het Heilige Schrift over aan den Staatssecretaris Safan die het ook las, er mede naar den koning ging en het met heiligen ernst den Vorst voorlas, die het met een ontroerde ziel en betraande oogen aanhoorde.
De koning scheurde zijne kleederen. Vreeze en beving vervulde zijn hart. Want in dat boek was geschreven dat de vloek over het volk zou komen, wanneer het in godverzaking zou leven. Als hij dan zich ging indenken den toestand van het volk, dat zoo lange jaren in goddeloosheid had geleefd, o, dan beefde zijn hart.
Hij zond dadelijk een commissie van vijf hoogstaande en ernstige personen naar de profetesse Hulda, teneinde haar meening te kennen over wat het volk te wachten stond.
De Godsspraak over het volk was hoogst ernstig, maar voor Josia luidde de profetische geest gunstig. Omdat de Koning zich had vernederd, omdat zijn hart week geworden was bij het hooren van de oordeelen Gods, zou de Koning niet deelen in de tuchtiging des volks, maar in vrede tot zijne vaderen verzameld worden, terwijl zijne oogen niet het kwaad zouden aanschouwen, dat God zou brengen over het volk.

Hier ligt de indrukwekkende les, dat de Heere den boetvaardigen zondaar genade geeft.
Hoe menigeen heeft gehoord van de oordeelen Gods, zonder dat zijn hart verbroken werd!
Hoe velen hooren en lezen jaar in jaar uit Gods Woord dat spreekt van het verderf der goddeloozen, zonder dat zij er ooit eenige, ernstige aandacht aan wijden.
Wie telt ze, die bekend zijn met de vreeselijke straf der zonde en zelfs belijden, dat de mensch buiten Christus verloren is, zonder dat hunne ziel ook maar even aangedaan wordt!
Zijn ze niet talloos, die zonder verbreking der ziel de vermaningen van Gods Woord aanhooren?
Voor zulken is er geen boodschap van troost, indien zij zich blijven verharden. Zij zullen worden getroffen met de pijlen van Gods toorn, zoo zij zich niet bekeeren. Het tweesnijdend scherp zwaard Gods van de wrake Gods zal hen doorboren, wanneer boetvaardigheid verre van hen blijft.
Droevig is 't als een mensch zoo diep ellendig, zoo strafwaardig, zoo Godst-oorn- verdiend-hebbend, zich niet bekeert tot Hem, die uit enkel barmhartigheid Zijn Woord nog hooren laat.
Maar zalig, als het hart verbroken wordt.

„Omdat uw hart week geworden is, zoo heb Ik u verhoord”, hier beluistert ge de boodschap des heils tot Josia gebracht. Het hart van den mensch moet „week” worden. Dat moet God doen, zeer zeker, maar wij gaan niet vrij uit, als wij niet bidden om een verbroken hart.
Daarom is het een groot voorrecht als een arm zondaar door schuldbesef getroffen en verslagen met al zijne zonden en ongerechtigheden, in boetvaardigheid en met de ware verbrokenheid des harten de toevlucht mag nemen tot den eenigen Borg en Zaligmaker. Die vernedering en verteedering des harten doet diep buigen voor God en doet met den schuldbelijdenden harpenaar aanstemmen:

„'t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf. Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren.”

Dan is er ook vergeving. Schuldvergeving op schuldbelijdenis. God verhoorde den godzaligen bidder. Josia, omdat de aankondiging van de straffen Gods hem getroffen had. Elk, die „van verbreking des geestes huilt”, wordt met het goddelijk oog van weergalooze liefde gadegeslagen. Daarom is er verwachting voor bekommerden.
't Is die verwachting, welke u prikkelt om aan te houden in het gebed. En die verwachting hebt gij dan maar niet zelf gegrepen, maar zij is in den weg der middelen in uwe ziel geplant en naarmate die hemelsche plant nu besproeid wordt met den regen van Gods beloftenissen, zal zij ook vaster en dieper zich wortelen, zoodat geen Satan of wereld of eigen arglistigheid haar kan uitrukken.
Is uw hart week geworden — gij hebt er den Heere voor te danken. In de eerste plaats, omdat die verbrokenheid geen vrucht is van eigen werk, maar van Gods genade; en in de tweede plaats, omdat de Heere de gebrokenen van hart komt genezen.
Zoolang de zondaar zichzelf nog redden kan is er nog geen ware behoefte bij hem. Maar als alle broze rietstaven uit de hand worden geslagen, en de zandgrond van eigen werk wordt ondermijnd, en wegslaat door de stormen van Gods verbolgenheid, zoekt de ziel naar een staf door God toegereikt en naar een grond door God gelegd. Dan is het hart week geworden en dan wordt het straks nóg weeker door de zalige bevinding, dat God een arm zondaarshart wil verrijken met het vette van zijn paleis, wil verlichten met de stroomen van zijn licht, wil doen drinken uit de zee van het levende water.
Moge ook van u gelden: „Omdat uw hart week geworden is … heb Ik u verhoord.”

A. (Aalten) J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1913

De Wekker | 6 Pagina's

De zegen der verbrokenheid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1913

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken