Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geen recht van bestaan? (XXIII) (Slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geen recht van bestaan? (XXIII) (Slot)

6 minuten leestijd

Wanneer wij ten laatste het collegialistisch tintje, dat de vereeniging van 92 ontsiert, willen aanwijzen ga een korte toelichting voor den eenvoudigen lezer vooraf. Uit de vijf stelsels van kerkregeering, welke in den loop der jaren op den voorgrond treden, moeten hier dan twee genoemd — het presbyteriale of synodale en het collegiale of genootschapsstelsel. Deze twee stelsels hier te bespreken ligt buiten ons bestek; alleen zij de nadruk op kun kenmerkend onderscheid gelegd. Bij het presbyteriale is de plaatselijke gemeente uitgangspunt, en berust het gezag niet bij verschillende hoogere besturen maar bij het presbyterium of den kerkeraad. Het collegiale systeem daarentegen vernietigt dit uitgangspunt, het huldigt de suprematie of opperheerschappij der besturen en legt dikwerf aan de plaatselijke gemeente iets op in lijnrechten strijd met haar wenschen en willen.
Bij het presbyteriale gaat men van beneden naar boven, de plaatselijke gemeente blijft hier altijd de eerste trede; bij het collegiale begint men van boven af — het hoogere bestuur is hier altijd nummer één — en gaat dan naar beneden om te trachten zijn wil aan de plaatselijke gemeente op te dringen.
Nu beweert men natuurlijk altijd dat de vereeniging zoo presbyteriaal mogelijk tot stand gekomen is. Immers de redeneering is zoo schoon wanneer men zegt „het besluit om te vereenigen is niet genomen door een losse groep van lidmaten, maar door de Christelijk Gereformeerde Kerk vertegenwoordigd in hare wettige afgevaardigden ter Generale Synod.” Prachtig geredeneerd en schijnbaar zoo zuiver naar de Dortsche Kerkorde, dat er geen speld tusschen te krijgen is.
En toch weerlegt dit zeggen ons bezwaar niet, ook genoemd in het „bezwaarschrift” op de synode van 1892 ingediend, dat door zulk een vereeniging de rechten der plaatselijke gemeenten zijn verkort.
Het uitgangspunt van het presbyteriale kerkrecht, n.l. de plaatselijke gemeente is miskend en met voeten getreden. Ik weet wel dat naar de Dortsche Kerkorde niet de gemeente maar de kerkeraad beslissing neemt maar dan mag ook niet vergeten en moet het met denzelfden nadruk worden opgemerkt dat het geheel naar eisch en overeenkomstig de beginselen der Dordsche Kerkorde is, dat de kerkeraad in zeer ingrijpende gevallen voeling houde met de gemeente. En nu mag men zich naar den letter op de Dordsche Kerkorde beroepen, maar vast staat, dat een vereeniging als in 92 gesloten is, met den geest en de strekking dier kerkorde in strijd is, die nooit kan willen dat de gemeenten als onmondige kinderen worden behandeld. Wij vragen, hadden de ambtsdragers ook zulk een opdracht ontvangen om in zulk een gewichtige zaak als de vereeniging, die het leven der gemeente tot in haar hartader raakte, buiten en zonder haar toch over haar te beslissen.
Als men meent dat het zoo echt presbyteriaal is, wat in 92 te Amsterdam is geschied, welnu, dan hebbe men den moed om dat echt presbyteriale te toonen in de praktijk. Immers daar zullen wij het toch wel over eens zijn, dat het echt presbyteriale zich aansluit bij de plaatselijke gemeente en niet er lijnrecht tegenover staat. Maar waarom durven dan twee kerkeraden de plaatselijke ineen-smelting niet aan? Waarom leven dan op tal van plaatsen A en B niet slechts naast elkander voort, maar staan ze nog na zooveel jaren even scherp zoo niet scherper tegenover elkander?
Juist dat is voor ons een duidelijk bewijs dat de vereeniging niet een presbyteriaal karakter, maar veel meer een collegialistisch tintje draagt. ’t Is geen vereeniging geweest, die uit de plaatselijke kerken opkwam en door de plaatselijke kerken gewenscht werd — een droeve ervaring heeft het bewezen — maar die van boven af de kerken wordt opgedrongen.
In Amsterdam nam men tegen den zin van vele plaatselijke gemeenten het besluit tot vereeniging en nu moet dat besluit van boven af naar beneden doorwerken tot de plaatselijke kerken. Is dat niet het collegialisme in top? Men verheerlijkt de vereeniging en men jubelt, „wij zijn één” en alom hoort men spreken van „de Vereenigde Gereformeerde Kerken.”
’t Is niet waar, ’t is ten hoogste een „geknutselde” vereeniging; slechts een vereeniging van kerkelijke vergaderingen van Classes en Synodes, maar niet van kerken.
Het ging buiten de plaatselijke gemeenten om en alzoo werd het uitgangspunt van het presbyteriale kerkrecht vernietigd. Dit voelt men in de „Gereformeerde Kerken” zelf, zoo gauw als men komt tot plaatselijke ineensmelting. Dat begint men te zeggen en te raden — de Heraut gaat dan voor — om toch met voorzichtigheid op te treden, om toch niet te drijven, om met de gemeente toch rekening te houden. En toen wij Christer lijk-Gereformeerden in 92 ditzelfde zeiden, toen was dit niet presbyteriaal. ’t Kan verkeeren!
De tijd heeft geleerd, dat een collegialistisch getinte vereeniging zich zoo maar niet aanpast aan plaatselijke gemeenten, die nooit gewoon waren geweest zich als onmondigen te laten behandelen.
Hiermede eindigen wij onze artikelen „Geen recht van bestaan” zoo schreef Dr. Bos in „de Wachter” omtrent ons kerkelijk leven. Mogen wij ons vleien hem en anderen van het onjuiste dier zienswijze te hebben overtuigd?
Wij hopen het, maar wij vreezen!
Het zij hier nog in ’t kort herhaald wat wij in het breede hebben betoogd: Wij Christelijke Gereformeerden mochten en konden niet — wilden wij voor God en ons geweten vrij blijven — medewerken tot een vereeniging zooals die in 1892 is geschied, allereerst niet om de beginselen, die men huldigde waar men de poort open deed voor hen, met wie wij een verschil in belijdenis moesten erkennen, maar ook evenmin om de wijze waarop de vereeniging (?) tot stand kwam.
Met zulke vereenigde (?) Gereformeerde Kerken te breken, mag geen zonde voor God, noch scheuring worden genoemd, maar blijft een heilige roeping voor elke rechtgeaarde zoon of dochter der scheiding.
Voorzeker, ook in de „Gereformeerde Kerken” hebben wij nog vele broeders en zusters in den Heere, leven nog mannen wier namen wij met hoogachting noemen. Hun actie, hun voortdurende strijd in eigen kring, moest hen reeds lang gezegd hebben, dat er een fout is gemaakt, en dat zij niet op hun plaats zijn.
Voor de mannen van „de Wachterbond”, met wie wij in zoovele opzichten eens geestes zijn, zal blijken slechts twee wegen open te staan: of op ’t laatst toe te geven en de verschillen maar weg te doezelen of uit te treden. En zoo ’t laatste — dan reiken wij elkander de broederhand en vinden elkander ook na jaren van droef gescheiden leven weer.

K. (Kampen) S.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1913

De Wekker | 6 Pagina's

Geen recht van bestaan? (XXIII) (Slot)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1913

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken