Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een pleitend smeekgebed

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een pleitend smeekgebed

11 minuten leestijd

„In den toorn gedenk das ontfermens.” Habakuk 3 : 2b.

„Een bilter en snel volk zal de Heere verwekken, trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten, die de Zijne niet zijn.”
„Scbrikkelijk en vreeselijk is hetzelve, Zijn recht en Zijne hoogheid gaat van hemzelven uit.” Met deze en vele andere woorden maakte de Heere den profeet Habakuk bekend, wat Zijn afvallig volk Israël te wachten stond, daar hun zonde zou bezocht worden en het oordeel des Almachtigen hen treffen zou. Dit doet des Heeren dienaar denken aan de verdrukking en de benauwdheid, welke zijn volk wachtte, met het oog waarop hij biddend en verootmoedigend zijn hart voor zijn God uitstort, en uitroept: „Heere! als ik uwe rede gehoord heb, heb ik gevreesd.” Gedachtig daarbij aan de beloften, door Jehovah aan Zijn Bondsvolk gedaan, klimt voor dat volk zijn gebed op tot den Heere en hooren we de bede van zijne lippen: „o Heere! hehoud Uw werk in het leven, in het midden der jaren, terwijl hij, pleitend op Gods barmhartigheden, daaraan toevoegt: „in den toorn gedenk des ontfermens”. Het recht Gods erkend in het straffen der afvalligen en toch pleiten op ontferming, dat is het, wat deze smeeking van den profeet ons te verstaan geeft. Hij bidt niet onvoorwaardelijk die oordeelen af; want hij weet het, dat Israëis God heilig en rechtvaardig is.
Nu zooveel vergeefsche waarschuwingen en dreigementen kan de tuchtiging van een heilig en rechtvaardig God niet uitblijven. Neen, God de Heere handhaaft al de deugden van Zijn Goddelijk wezen. Het mag voor korter of langer al eens schijnen, alsof Hij het kwaad niet ziet, maar te Zijner tijd zal altijd blijken, dat de Heere geen ledig aanschouwer is van het kwaad. Maar het geloof in dat alles sluit niet uit, gelijk we hier van dezen profeet vernemen, het pleiten op ontferming en op de barmhartigheden des Heeren, die groot zijn. Zoo deed een Mozes, toen het scheen, dat het kwaad ten volle over zijn volk besloten was. Zoo deed een Daniël, toen deze zeer gewenschte man met God worstelde en smeekte om genade en vergeving voor bet zondige en zoo schuldige volk. Zulk een optreden en bidden, bewijst liefde tot zijn volk, maar ook ware en zuivere kennis van God.
Als de zuivere kennisse Gods ontbreekt, kan er van bidden naar Gods wil geen sprake zijn. Is ons gebed in strijd met Gods geopenbaarden wil, dan kan zulk bidden niet worden verhoord, want de Heilige Israëis handelt niet in strijd met zijn eigen openbaring.
Dat de profeet nu in zijne smeeking voor Gods aangezicht zegt: „In den toorn, gedenk des ontfermens”, daarmee billijkt hij Gods heilige toorn over de zonde en afval van het volk, doch dit kan en behoeft hem niet te weerhouden, te pleiten op Gods ontferming. Het is alsof de bidder daarmee zeggen wil: Heere! Gij zijt heilig en rechtvaardig, waar Gij uw heilig ongenoegen wegens de zonde openbaart, dat Gij met uwe oordeelen en gerichten komt om de zonde te bezoeken, alleen laat uw dienstknecht zijne smeeking mogen voorbrengen voor uw aangezicht, — laat hij zich mogen onderwinden als een Abraham om tot God te spreken, en genade in te roepen van u, die toch de God aller genade zijt. Er is in die bede iets op te merken van hetgeen de dichter zegt: „Ai, matig uw kastijden, sla mij met medelijden, gelijk een vader doet.” Een kind kan het zoo zwaar verzondigd hebben tegen zijnen vader, dat het niet meer waardig is een kind genaamd te worden. Maar op den bodem van dat kinderhart is nog een goedertierene gedachte van zijn vader, en dat doet dat kind, onder belijdenis van schuld, toch nog het woord „vader” uitspreken, om met den verloren zoon uit de bekende gelijkenis te zeggen: „Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, en ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden.” Mozes, toen hij voor het volk bad, zeide: „Heere! Zij zijn Uw volk”. Ook de profeet Habakuk denkt al biddende aan het volk, aan hetwelk de Heere zooveel heeft gearbeid en zooveel gunstbewijzen heeft geschonken, Vandaal zijn bede: o Heere! Uw werk, behoud dat in het leven in het midden der jaren,” om daarop als in eenen adem te laten volgen: „in den toorn gedenk des ontfermens”.
Zoo menigmaal had de Heere dit gedaan, 't Was immers Gods belofte, zelfs in de donkerste tijden en bij de meest treurige vooruitzichten, dat er steeds een overblijfsel zou zijn, naar de verkiezing der genade.
Een arm en ellendig volk zou de Heere doen overblijven, en dat zou op Zijn naam vertrouwen. En als God de Heere dan die smeeking zijner knechten en het gebed zijns volks verhoort, dan zegt Hij; „waarlijk ik doe het niet om uwent wil, maar om mijn naams wil.”
Om onzent wil kan het niet, want wij zijn en blijven zondige schepselen. De gerechtigheid, welke daartoe moet worden aangebracht, is bij ons niet. Maar wat in en bij ons niet is, dat is in Hem, die, als de van ouds beloofde Messias en Borg, bij Jeremia genoemd wordt: de Heere onze Gerechtigheid. Aileen in en door Hem, die de verdienende oorzaak is van alle heil en zaligheid, kan en wil de Heere zich ontfermen op het gebed. Levendige bewustheid daarvan te bezitten, leert met den gewijden dichter zeggen: „Denk aan 't Vaderlijk meêdoogen, Heere, waarop ik biddend pleit. Milde handen vriendelijk oogen, zijn bij U van eeuwigheid.” Tegenover de eisch van Gods heiligheid en gerechtigheid, komt de openbaring van genade en grondelooze barmhartigheid. Daaruit ontspringt de bron van hoop en troost voor allen, die geloovig toevlucht nemen tot den troon der genade. Als dan Habakuk, de profeet des Heeren, het goede voor zijn volk wenscht en zoekt, is onder de aankondiging van naderende oordeelen, dit nog het uitzicht, dat hem over blijft, dat de Heere de God des Verbonds is, wiens verbond in eeuwigheid niet wankelen zal, en dat hem dit nog ruimte laat, om te pleiten op Gods ontferming. Dit te kunnen doen, vereischt in den bidder een kinderlijke gestalte, heilige onderwerping, in het geloof, dat God geen onrecht doet.
Door het geloof zoekt de bidder zich vast te klemmen aan zijn God, evenals een kind, dat zijn toornige vader aan zijn kleed of aan zijne band grijpt en zegt: och, mijn vader, als ge mij tuchtigt en slaat, houdt dan daarbij in de gedachten, dat gij mijn vader zijt en dat ik uw kind ben.
Er ligt dan ook in dat pleiten van den profeet op Gods ontferming iets, dat van een innig en oprecht verlangen doet blijken.
Als twee menschen u hetzelfde vragen, dan kan de wijze, waarop zij dit doen, nog zoo grootelijks onderscheiden zijn. Met ons bidden gaat het evenzoo. Er wordt zooveel met het hoofd en nog maar zoo weinig met het hart gebeden. En nooit kunnen we daarbij ernstig genoeg bedenken, dat de Heere naar waarheid in het binnenste vraagt. Als Jezus Petrus tot driemaal toe vraagt: „hebt gij Mij lief?” dan antwoordt Petrus ten laatste met te zeggen; „Heere! Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U lief heb.”
Zou de Heere aan Habakuk Zijnen dienaar hebben gevraagd: Man, waarom roept ge mijne ontferming in voor een zondig en diep schuldig volk, dan had deze man Gods ook kunnen antwoorden: Heere, Gij weet, dat ik dat volk lief heb. Al moet ik de zonde mijns volks veroordeelen, en al is dit ook mij een oorzaak van bittere droefheid, maar toch is dit volk Uw volk, dat met U in een verbond staat.
Als men in deze bange tijden, waarin we thans leven, hoort hoe er over den oorlog en al de verschrikkingen, daarmee gepaard, gesproken wordt, dan hoort men veel en velerlei. Dan hoort men soms ook menschen, die daarin de oordeelen Gods zien, en men spreekt dan over de rechtvaardigheid Gods, daarin geopenbaard.
Maar als het dan daarbij blijft, dan is dit zoo geheel anders, als wat we hier lezen van den profeet des Heeren. Zoo iemand dan heeft ook hij de gerechtigheden des Heeren erkend en beleden, maar dit kon hem niet weerhouden toch te pleiten op Gods ontferming. Betaamt het ons in dezen nood der tijden elkander gedurig en ernstig op te wekken tot het gebed, bedenken we dan daarbij wél, dat het niet hetzelfde is wat en hoe wij bidden.
In en onder ons bidden moeten we, zal het wel zijn, goed bewust zijn van onze zonde en van de schuld onzes volks. Bewust ook van de schuld der natiën, die thans als het koren op den dorschvloer worden geslagen en als tarwe worden gedorscht. Daarbij dient ook niet uit het oog verloren, dat in dit alles nog de bemoeienis des Heeren worde opgemerkt.
God de Heere handhaaft voor het oog der volken Zijn heilig Woord, door menschen zoo smadelijk veracht en verworpen. De hoovaardij en zelfverheffing van bet schepsel wordt nu beteugeld, de wijsheid der wijzen doet God voor aller oogen vergaan, terwijl in en door dit alles een roepstem tot de volken komt, die ook ons toeroept: „bekeert u, want waarom zoudt gij sterven!” Pleit dan daarbij, gelijk de profeet, op Gods ontferming, op Zijn barmhartigheden, die groot zijn, dan geeft ge God de eere, en ge erkent Hem niet alleen in Zijn deugden van heiligheid en rechtvaardigheid, maar ook in die van Zijn liefde en barmhartigheid.
En wij met ons land en volk, tot hiertoe nog genadig verschoond en deelende in Gods ontferming, zou ons hart niet bloeden, als we denken aan hetgeen in die oorlogvoerende landen geleden wordt?
Vrage toch niemand: wie is mijn naaste? en evenmin: ben ik mijns broeders hoeder? Maar vragen we liever: waarom treft ons niet betzelfde lot? “Wat is er nog veel hardheid en ongevoeligheid onder een groot deel van ons volk. Hoe durft men thans nog vragen naar allerlei ijdelheid! Hoe durft men nog handenvol geld uitgeven voor paardenspel, voor bioskoop en al dergelijke dingen, waar zoo dicht bij ons de duizenden elken dag worden verslagen en zoo velen liggen te zieltogen op de slagvelden.
Spotten deed men in de eerste wereld met Noach, totdat de zondvloed kwam en allen wegnam. Spotten zullen de atheïsten en alle goddeloozen, totdat het zwaard des Almachtigen ook hen treft en de vloek des driemaal Heiligen hen verpletteren zal.
Maar terwijl het u nog toegeroepen wordt in den naam des Heeren: „haast u en spoed u om uws levens wil,” klimme het gebed en de smeekingen van velen op tot Gods troon, dat de Heere te midden Zijns toorns nog des ontfermens moge gedenken.
Dan, maar ook dan alleen, zou over ons de verschooning des Heeren nog kunnen blijven. Dan ook zou er, hoe en waardoor dan ook, spoedig verandering en verademing kunnen komen. Dan zou weldra het woord „vrede”, waar zoo vurig naar verlangd wordt, kunnen gehoord worden.
Al zeggen dan de meest wijzen van alle menschen: „daar is nog geen denken aan,” en al schijnt het inderdaad alsof we thans nog verder dan ooit van den vrede verwijderd zijn, maar als God werkt, zal niemand dit keeren. Dat we dan maar niet slechts spreken over den nood der tijden, maar dat de tranen van zooveel weduwen en weezen, dat het bloed van al die verslagenen, dat de armoede en den nood, waarin duizenden verkeeren, ons toch niet ongevoelig doen blijven.
Grijpe de ernst der omstandigheden zoo van hier als van elders ons aan, doe de bewustheid onzer zonden ons voor God in het stof bukken, om met erkenning van de rechtvaardigheid, in Gods geduchte oordeelen geopenbaard, onzen Rechter om genade te bidden, en met den profeet uit Israël te zeggen; „O Heere! gedenk in het midden des toorns des ontfermens, en ontferm U over ons en over ons volk! Ontferm U ook over hen, die zoo zwaar door Uwe hand zijn bezocht.”
J. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1914

De Wekker | 4 Pagina's

Een pleitend smeekgebed

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1914

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken