Bekijk het origineel

Indrukken en Ervaringen (LXXI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Indrukken en Ervaringen (LXXI)

6 minuten leestijd

Hierbij stuitte men echter op ontzaglijke moeilijkheden, allereerst het terrein. Het terrein langs de grens is heuvelachtig en boschrijk. Overal vindt men aanplanting van dennen en door dat dennenhout slingeren zich in alle richtingen de voetpaden waarvan de smokkelaars zich bedienen. Men moet dus op het terrein tehuis zijn om dit kwaad met vrucht te kunnen bestrijden. Men moet al die voetpaden en sluipwegen, die zich links en rechts door het kreupelhout kronkelen, kennen. Anders is alle bestrijding vruchteloos. Verder heeft men rekening te houden met de bevolking, die o zoo vriendelijk en aardig is, maar wel oppast, dat zij elkander niet verraden. Alles spant samen om de bestrijding te doen mislukken. Door allerlei geheimzinnige teekenen en aanwijzingen onderricht men elkander en men ontziet geen middel om de bewakingsdienst te verschalken. Ik ging eens met een van onze officieren het terrein in. Nauwelijks waren wij buiten of de officier zeide tot mij: „Ziet gij daar dien jongen.” Ik zag hem. Let nu maar eens goed op zeide hij, want die staat hier op post, hij zal aanstonds wel een teeken geven. Ik hield hem scherp in het oog. Eensklaps ontdekte hij ons, keerde zich om en begon heel onschuldig op zijn vingers te fluiten. Eenige oogenblikken later floten er stellig drie of vier op hun vingers. „Hoort gij het?” zeide de ofiicier. Ik hoorde het. „Dat is het sein,” zeide hij, „dat ik in het terrein gegaan ben en tegelijkertijd is daarmee de richting aangegeven, waarin wij gaan. 't Is iets wanhopigs, „zeide hij, „om tegen dat volk te vechten. Ik kan mij niet verroeren of bewegen, of het geheele dorp wordt er mee in kennis gesteld.” In zijn kwartier had hij mij een zwaren knuppel vertoond, dien hij als een aandenken bewaarde. Hij wist, dat er op hem geloerd werd. Daarom ging hij nooit het terrein in zonder zijn revolver en zijn oppasser, een reus van een jongen. Op een donkeren, regenachtigen nacht gingen zij er samen op uit. 't Duurde niet lang of zij hoorden in het bosch, waar zij zich opgesteld hadden, een zacht gefluister van stemmen, gevolgd door het kraken van takken. Er waren er eenigen in aantocht. Nog even gewacht en in zijn onmiddellijke tegenwoordigheid bewogen zich een 8-tal mannen heel behoedzaam voorwaarts. Zij droegen groote bussen met petroleum. Voorop ging een man met een vervaarlijken knuppel in de hand. Plotseling schoot de officier uit zijn schuilhoek te voorschijn en stond met zijn getrokken revolver tegenover de bende. Maar eensklaps hief de man den zwaren knuppel op en zou hem zonder twijfel een doodelijken slag op het hoofd hebben toegebracht, had niet zijn oppasser den man plotseling van achteren aangegrepen en op den grond geworpen. Een geweldige worsteling ontstond, en terwijl de officier met zijn revolver de anderen in bedwang hield, sloeg de oppasser den man zijn zakdoek om de beide polsen en zoo voerde men de heele bende naar de wacht, waar bij onderzoek bleek, dat zij 250 liter petroleum met zich voerden. Als men nu weet, dat de petroleum destijds in België betaald werd met 70 à 75 ct. de liter, kan men begrijpen wat er aan zoo'n vrachtje te verdienen viel. Is eenmaal het terrein goed verkend, dat wil zeggen zijn de mannen er goed in te huis, dan valt het niet moeilijk dit kwaad te beteugelen, als de mannen, dat zijn de soldaten, maar willen. Maar hier raken wij aan een heel kritiek punt. Willen de mannen wel altijd? Ik heb heel wat gesprekken over het smokkelen gevoerd en er o zoo dikwijls in de prediking op gewezen, omdat vele militairen er volstrekt geen kwaad in zagen. Zij konden maar niet inzien, waarom dit niet mocht. „Als wij hier overvloed hebben en die menschen daar hebben aan alles gebrek en men komt met olie of vet, boter of zeep naar de grens, dan mogen wij dat niet tegen houden,” zeiden zij, „want die menschen daar aan den anderen kant hebben het noodig. Dat kan Gods wil niet zijn, dat wij dat verbieden en wij moeten Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen.” Ieder zal gevoelen, dat deze opmerking een schijn van waarheid bevat, maar men vergeet, dat de smokkelhandel allerminst uit een menschlievend oogpunt bedreven werd. Zij, die zich daaraan schuldig maakten deden dit niet om de ellende en de ontberingen van hen, die over de grens woonden te verzachten. Die ellende en ontberingen lieten hun koud; 't gaat uitsluitend om geld te verdienen, en hoe hooger prijzen zij kunnen maken, hoe liever het hun is. Reeds uit dat oogpunt zou een dergelijke handel moeten bestreden worden, 't Is geen handel meer. 't Is woeker, in den meest ergerlijken zin van het woord, 't Is gebruik maken van de ellenden van anderen, om daardoor zich zelven te verrijken. Maar hier is nog iets anders, waarop ik vroeger reeds met een enkel woord heb gewezen. Wij zijn voor een aantal artikelen, die wij zelf noodig hebben, uitsluitend van den invoer van buiten afhankelijk, en die invoer wordt door Engeland nauwkeurig gecontroleerd. De statistiek zegt hoeveel van dit en hoeveel van dat artikel in 1913, '12, '11 en '10 werd ingevoerd. Zoodra nu diezelfde statistiek uitwijst, dat de invoer van deze artikelen gedurende dezen oorlog meer dan verdubbeld is, kan deze verdubbeling geen gevolg zijn van meerder gebruik. Het gebruik van het een of ander artikel kan door verschillende omstandigheden wel eens toegenomen zijn, maar verdubbeld kan het niet wezen. Verdubbeling van den invoer wijst op een grooter uitvoer van het artikel en die uitvoer gaat naar Duitschland, waarmee Engeland in oorlog is. Vanzelf dat Engeland daartegen met kracht protesteert, en zou de Nederlandsche Regeering zich aan deze protesten niet storen, dan zou dit voor Engeland oorzaak kunnen worden ons zijn blokkade te verscherpen en de invoer van verschillende artikelen naar ons Vaderland geheel stop te zetten. Reeds nu begint er zich allerwege een schaarsheid te openbaren, die noodzakelijk tot verhooging van de prijzen voor de verschillende artikelen leiden moet, en alle teekenen wijzen er op, dat de Engelsche maatregelen er op gericht zijn, om zooveel naar ons land door te laten als strikt genomen voor ons land noodzakelijk is.

P S. Met dank mag ik vermelden: door bemiddeling van Ds. Jansen uit Utrecht ƒ 1.— van de Wed. S. te Ermelo en ƒ 5.— van Docent Lengkeek, die hij in zijn brievenbus vond.
Men vergete onze militairen niet!

De Veldprediker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Indrukken en Ervaringen (LXXI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken