Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Met heerlijkheid en eer gekroond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Met heerlijkheid en eer gekroond

(Hemelvaartsdag)

10 minuten leestijd

„Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond.” Hebreën 2 : 7.

In de inleiding van dezen brief aan de Hebreën is de apostel begonnen om de heerlijkheid en voortreffelijkheid van Christus te verheffen ver boven de heerlijkheid der engelen. Hoe uitnemend de staat der engelen ook zij, tot niet één dier engelen heeft God de Heere gezegd, wat Hij van den Zoon getuigt: zit aan mijne rechterhand totdat lk uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. Van Hem getuigt de apostel dat Hij is het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, en die, nadat Hij de reinigmaking onzer zonder door hemzelven heeft te weeg gebracht, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen. Door lijden tot heerlijkheid. Na diepe vernedering luistervolle verhooging. Reeds met Zijne opstanding uit de dooden bleek, dat Christus waarlijk den dood had overwonnen, en dat de Vader het offer door den Zoon gebracht, had aangenomen. Na nog een verblijf van 40 dagen op aarde, voer Christus de Heere op ten hemel. De elven waren met en bij Hem, toen die zichtbare verhooging van den Olijfberg plaats had. De laatste gesprekken waren gevoerd, de laatste bevelen gegeven, toen de groote Hoogepriester Zijne handen zegenend uitbreidde over Zijn kleine kudde, en alzoo voor hunne oogen werd opgenomen in den hemel. Zijn Middelaarswerk was nu op aarde volbracht. Zijn lijden was geleden, en nu zouden Zijne getuigen kunnen vermelden: Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond. Gekroond als Sions Vorst en Koning, die van eeuwigheid was gezalfd, en nu verheerlijkt werd met de heerlijkheid die Hij bij den Vader had eer de wereld was. Geen vernedering, en geen lijden van menschen is te vergelijken met datgene, waaraan de Zoon des menschen op aarde onderworpen was. Maar ook geen heerlijkheid van menschen is met de Zijne te vergelijken. Door Gods Geest onderwezen, hadden de profeten onder de oude bedeeling daar reeds op gewezen.
Israëls gewijde dichters hadden er reeds van gezongen: Gij voert ten hemel op vol eer, de kerker werd Uw buit o Heer! Gij zaagt Uw strijd bekroonen. En de vervulling der profetie was in volkomen overeenstemming met de belofte.
Onder onbeschrijfelijke gewaarwordingen staan de elven op den Olijfberg, opziende naar den hemel, en hun Heere en Meester nastarend zoo lang zij konden, tot eindelijk een wolk Hem wegnam van voor hunne oogen. Nu scheen het alsof zij schapen waren zonder herder, en of zij voor altijd in het smartelijk gemis moesten deelen van Hem, wiens tegenwoordigheid hun zoo aangenaam was. Maar neen zij zijn niet alleen. Zij zijn geen verlaten schapen. Het troostrijk woord van Jezus klinkt hen nog in de ooren: „Ziet Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der eeuwen”. En terwijl ze daar nog staan met hun blikken ten hemel gericht, verschijnen twee engelen aan hen, die hen aanspreken en zeggen: „Gij Galilesche mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo wederkomen, gelijk gij Hem naar den hemel hebt zien henen varen.”
Waren zij getuigen geweest van Zijn bitter lijden en van Zijn vreeselijken vloekdood aan het kruis, zij zijn nu aanschouwer geweest van Zijne luistervolle hemelvaart. Konden hunne oogen niet zien door de wolken, toch wisten zij, dat Jezus was heengegaan naar het huis des Vaders, waar vele woningen zijn. Daar zou de Heere hen allen eens tot zich nemen in heerlijkheid. Ver boven allen smaad van menschen verheven, verlost uit een wereld vol zonde en ongerechtigheid, smaakt Immanuël de vreugde en de blijdschap, als de vrucht aan Zijn Middelaars- en Verlossingswerk verbonden. En niet slechts voor de elf apostelen des Heeren, maar voor geheel de kerk des Heeren geldt het, als daar getuigd wordt: wij zien Jezus nu met heerlijkheid en eer gekroond.
Immers het geloof ziet zelfs door alle wolken en nevelen heen, in het licht der goddelijke openbaring. En die openbaring zegt en verzekert ons, tot wat heerlijkheid Christus als de Zone Gods is ingegaan: „Verre boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende.
Niet alleen een Stefanus zag de hemelen geopend bij zijn sterven, en den Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods, maar ook Johannes moest schrijven aan één van de gemeenten van klein Azië, in Jezus Naam: „Die overwint, Ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon.”
Omringd met tienduizend maal tienduizenden Zijner heilige engelen, en met de geesten der volmaakt rechtvaardigen, zingen de verlosten ter eere van het Lam. Hebben Gods engelen gejubeld, bij Christus komst in het vleesch: „eere zij God in de hoogste hemelen”. Welk een hulde en aanbidding zal dat geweest zijn, toen de Koning Zijn’ troon besteeg, en in het midden Zijner heiligen zich openbaarde als de groote Overwinnaar!
Wij kunnen als nietige stofbewoners, hier zeggen en zingen: „Hij de Vorst der aard’ is die hulde waard”, doch geen schepsel vermag zich een juiste voorstelling te maken van de heerlijkheid en de eer, waarmee der Koningen Koning en der Heeren Heere is gekroond.
Daar zijn onze woorden en gedachten, daar is ons voorstellingsvermogen veel te arm en gering toe. Zoo overweldigend groot was reeds de heerlijkheid van Koning Salomo, dat de Koningin van Scheba, als getuige daarvan optredend, moest uitroepen: de helft is mij niet aangezegd!
Wij zouden ook in dit lichaam, dat we hier omdragen, niet kunnen zien noch verdragen, wat eens hiernamaals door Gods verloste kinderen zal gezien en genoten worden, als eens in al de kracht van het woord, ieder verloste gerechtvaardigde en geheiligde zondaar, de heerlijkheid en de eer van zijn Koning en Verlosser zal aanschouwen.
Hier wandelen we door het geloof. Hier kennen we maar ten deele en we genieten maar ten deele. Maar het geloof zal eens verwisselen in aanschouwen en wat hier nog maar ten deele was, dat zal plaats maken voor het volmaakte. Toch is het al wat groots, hier reeds in ’t geloofsbewustzijn te deelen, dat Jezus met heerlijkheid en eer is gekroond. Want Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente. Is nu het hoofd verheerlijkt, dan volgt, dat ook de leden van Zijn lichaam met Hem zullen verheerlijkt worden. Dit deed een Paulus reeds schrijven aan de gemeente te Efeze, dat God, die rijk is in barmhartigheid, door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ook ons met Christus heeft opgewekt en ons mede gezet heeft in den hemel in Christus Jezus. Daarom moet de verheerlijking van Christus niet gedacht worden als een abstractie, als een op zichzelf alleen slaand feit, maar altijd in verband met het doel en einde. Dan eerst zult ge beseffen, wat het inhoudt en waartoe het roept, te zeggen en te belijden: we zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond.
Met majesteit en heerlijkheid bekleed, wordt Christus niet alleen in den hemel, maar ook door Zijn duurgekochte kerk op aarde eer toegebracht. Ook bij de herdenking van ’s Heeren triomfantelijke hemelvaart, jubelt Zijne gemeente op aarde, bij en onder al den strijd op dit benedenrond gevoerd: „wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’eerkroon dragen, door U, door U alleen om ’t eeuwig welbehagen; want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven, en onze Koning is van Israëls God gegeven.”
Jezus heengaan van de aarde was geen verlies maar enkel winst Zijn volk. De Heere had dan ook tot Zijne discipelen gezegd: Het is u nut dat Ik wegga. — Ik zal u geen weezen laten. Wij weten, dat Christus nu onze Voorspraak is voor het aangezicht Zijns Vaders, en dat Hij Zijnen Geest tot een Trooster der gemeente geschonken heeft. Is Hij naar Zijne menschelijke natuur niet meer op aarde, naar Zijn Godheid, Majesteit, genade en Geest, wijkt Hij nimmermeer van de Zijnen. En wat heerlijkheid zal dat zijn, als die verhoogde Christus weldra wederkomt, op de wolken des hemels, om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zal men niet meer kunnen roepen, gelijk in de dagen Zijner vernedering: „Weg met dezen”. Dan zal het uit zijn met al de haat en de lastering tegen Gods Gezalfde, want dan zal alle knie voor Hem buigen, en alle tong Hem belijden, als alle oogen Hem zullen zien met heerlijkheid en eere gekroond. Dan zullen alle goddeloozen en werkers der ongerechtigheid, met schrik en vreeze vervuld, de waarheid van Jezus woord bevestigd zien, door Hem zelf gesproken, dat Hij wederkomen zal. Dat zal de groote en de doorluchtige dag zijn, waarin Sions Vorst en Koning zal verschijnen in Zijn Middelaars heerlijkheid, om al Zijn duurgekochte volk tot zich te vergaderen en op te nemen in Zijne eeuwige heerlijkheid. Reeds nadert dat oogenblik met rasse schreden. De voorteekenen worden allerwege als de teekenen der tijden aanschouwd. Niets geschiedt er bij geval. De druk en de benauwdheid der tijden, de worsteling der volken en der natiën, geheel de openbaring van het menschelijke geslacht, alles wijst er op, dat de dag des Heeren komt. Christus zelf kan na Zijn volbrachte Middelaarswerk op aarde niet blijven. Zoo noodzakelijk als Zijne vernedering was om de zaligheid te verdienen, zoo noodzakelijk was ook Zijne verhooging om de zaligheid toe te passen. De geloovigen, die met Christus lijden, zullen ook met Hem verheerlijkt worden. De belofte Gods zal aan al des Heeren gunstgenooten worden vervuld: Uwe oogen zullen den Koning in Zijne schoonheid zien. Dan zal ook voor al het vrijgekochte volk al het lijden zijn geleden. Die getrouw zal zijn tot den dood, die zal de kroon des levens ontvangen.
Met Christus verheerlijkt, — dat zal alle beschrijving te hoven gaan. Johannes, de apostel des Heeren, getuigt: Wij zullen Hem gelijk wezen. We zullen Hem zien gelijk Hij is. Zien, niet meer met een kroon van doornen, door menschen handen gevlochten, maar met Zijn schitterende en onvergankelijke Middelaarskroon. Omstuwd met een ontelbare menigte Zijner heilige troongeesten, als de Eeniggeborene van den Vader, vol van genade en waarheid. Al is het dan nu nog niet alles geopenbaard wat we zijn zullen, zooveel is dan toch nu reeds zeker en duidelijk dat Gods kinderen groote heerlijkheid wacht.
Wordt dan nu gesmaad en miskend in en door de wereld, maar weet, ’t is maar een korten tijd, dan zal God de Heere den smaad Zijns volks wegnemen, en gelijk we Jezus met heerlijkheid en eer zien gekroond, zoo zal ook Zijn volk heerlijkheid en eer worden geschonken. Die Mij eeren zegt de Heere, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden.

„Wat vijand tegen Hem zich kant,
Mijn hand, mijn onweerstaanbre hand
Zal hem bekleên met schaamt’ en schand’;
Maar eeuwig bloeit de gloriekroon,
Op ’t hoofd van Davids grooten Zoon.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Met heerlijkheid en eer gekroond

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken