Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In strijd met de werkelijkheid (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In strijd met de werkelijkheid (II)

6 minuten leestijd

De beschuldiging door Ds. P. Bos tegen ons ingebracht in de Wachter van 1 Sept. luidt aldus:
„Die dus gaat beweren, dat wij het beginsel der scheiding hebben prijs gegeven bij de Vereeniging is met de historie en dus met de werkelijkheid, in volkomen strijd. Bovendien, de practijk heeft uitgewezen, dat zij, die de methode van doleantie voorstonden, feitelijk op de lijn der scheiding zijn gekomen. Hebben die kerken der doleantie dan niet aangenomen dit beding, gesteld door de Synode te Leeuwarden:
„Wat de verhouding tot de Ned. Herv. Kerk betreft, wordt dit wederzijds uitgesproken, dat de verbreking van de kerkelijke gemeenschap met de besturen van de Ned. Herv. Kerk niet alleen, maar ook met de leden in corporatieven en plaatselijken zin door Gods Woord en de Geref. Belijdenis geboden en dus noodzakelijk is?” Tot zoover de Wachter.
Ds. P. B. stelt het dus voor alsof veeleer de doleantie door aanvaarding van bovenstaand beding op de lijn der scheiding zou zijn gekomen, maar het wordt verzwegen onder welke condities de doleerenden dit beding hebben aangenomen. De Synode der doleerenden toch verklaarde zich tegen dit beding niet te verzetten „overmits uit het beginsel dat de methode van separatie en doleantie beiderzijds voor eigene rekening wordt gelaten, volgt, dat hierin niet kan zijn gevergd dat de kerken der doleantie in dit tweede beding het standpunt der doleantie zouden veroordeelen of dat der separatie huldigen, zoodat dit beding niet kan inhouden de loochening van de historische betrekking tot de leden van het Ned. Herv. Kerkgenootschap; noch den eisch dat wij deze leden als heidenen en tollenaars zouden beschouwen, noch eindelijk dat de tot reformatie gekomen kerken geene eigenaardige verplichtingen tegenover die leden zouden hebben; — en zulks met dien verstande, dat die achterblijvenden, zoolang zij achterblijven in den zin der kerkenordening, door eigen schuld, geen objecten der tucht van het kerkelijk instituut zijn, en dit eerst dan weer worden, als zij de Opzieners der ware kerken Christi erkennen; als ook dat zij geen recht op het Sacrament des H. Doops voor hunne kinderen, noch voor zichzelven op het Sacrament des H. Avondmaals kunnen doen gelden, zoolang zij niet gekomen zijn tot het betuigen van instemming met de belijdenis der Geref. Kerken en zich voegen onder haar kerkenordening.”
Deze conditie op het door Ds. P. B. geciteerde beding is met diplomatieke kunst in elkaar gezet. In verstaanbaar Hollandsch wil het zeggen: Wij aanvaarden het beding, maar alleen in dien zin dat wij het naar de methode der doleantie verstaan en dus met do leden der Ned. Herv. Kerk niet gebroken hebben, maar hen niet onder kerkelijke tucht plaatsen of tot de Sacramenten toelaten omdat zij den kerkeraad der Ned. Geref. Kerk niet in zijn ambt erkennen. Zoodra zij echter dien kerkeraad wèl erkennen, worden zij tot de Sacramenten toegelaten en treden zij weer in de rechten van het lidmaatschap, m. a. w. met de leden der Ned. Herv. Kerk breken wij doleerenden niet, maar de rechten van hun lidmaatschap mogen zij eerst uitoefenen wanneer zij den Geref. Kerkeraad erkennen.
Dat dit in dien zien en niet naar het beginsel der Afscheiding bedoeld werd, schreef Dr. A. Kuyper als deputaat aan de deputaten der Christ. Geref. Kerk, en wel met deze woorden:
„Sommigen onzer ontvingen den indruk, alsof deze bepaling (waarin Ds. Bos het behouden van het beginsel der scheiding meent te zien) bedoelde, dat wij het beginsel der doleantie veroordeelen zouden en met de dogmatische toepassing van het begrip valsche kerk op het synodaal instituut zouden mêegaan. Dit kan echter onzes inziens uwe bedoeling niet geweest zijn.”
O, afgescheiden broeders, wil Dr. A. Kuyper hiermede zeggen, wij aanvaarden wèl uw beding maar gaan niet mede met uwe beschouwing van de Herv. Kerk als valsche kerk. Welneen, schreven daarop onze deputaten, gij doleerenden behoeft niet te loochenen do historische betrekking tot de leden der Herv. kerk enz.; wij vragen alleen: a. dat die achterblijvenden geen objecten van kerkelijke tucht kunnen zijn, en b. dat zij geen recht hebben op Doop en Avondmaal, zoolang zij niet instemming betuigen met belijdenis en kerkenorde.”
Hier lieten dus onze deputaten het beginsel der scheiding geheel los en stonden zij toe dat de Gereformeerde kerken nog niet kerkelijk los zijn van de leden der Herv. Kerk doch dat die Hervormde leden eerst den Geref. kerkeraad moeten erkennen om Sacraments-bediening te genieten.
Zelfs nam de Synode der doleerenden in hare acta dit antwoord gewijzigd op, en wel zóó dat het doleerend beginsel nog sterker uitkwam.
Op onze Synode ie Amsterdam werd in de zitting van 8 Juni 1892 (zie Acta art. 15) door één onzer afgevaardigden hierop aanmerking gemaakt. Deze tee-kende die wijziging aldus:
„Onze deputaten schreven: „die achterblijvenden hunnen geen objecten van kerkelijke tucht zijn”, de doleerende synode besloot echter „zoolang zij achterblijven zijn zij geen objecten”, enz. In het schrijven onzer deputaten staat: „zij hebben geen recht op Doop en Avondmaal”, de synode besloot: „dat zij geen recht kunnen doen gelden”. De doleerenden spraken hiermede uit dat de leden der Herv. Kerk wel objecten van tucht bij de Geref. kerken kunnen zijn, omdat de doleerende kerkeraad het juk voor de heele gemeente afwierp, maar zij zijn het niet, omdat zij den Geref. kerkeraad niet en dien der Herv. kerk wel erkennen. Ook hebben die leden der Herv. Kerk recht op de sacramenten, omdat de doleerenden met die leden nog niet geheel gebroken hadden op kerkelijk gebied, maar zij konden geen recht doen gelden omdat zij den Herv. kerkeraad erkenden.
Onze Synode ging op die wijziging door de doleerende Synode gemaakt niet in Wat blijft er nu, als wij de acta nagaan nog over van het beding waarop Ds. P. Bos zich beroept? 't Is een wassen neus en meer niet. Dit kan ook niet anders, want hadden do doleerenden erkend dat zij geheel met de Herv. kerk en hare leden gebroken hadden, dan hadden zij, zooals Dr. A. Kuyper hot uitsprak (zie Bijlage A. der acta van 1892) „alzoo een streep door haar eigen verleden gehaald en voor zonde verklaard wat zij uit overtuiging deden.” De doleerenden handhaafden dus hun beginsel, de christ. Gereformeerden, voor zoover zij mede gingen met de Vereeniging, verloochenden het.

's Gr. D. BR.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1916

De Wekker | 4 Pagina's

In strijd met de werkelijkheid (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken