Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wat Habakuk bidt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wat Habakuk bidt

11 minuten leestijd

….„in den toorn gedenk des ontfermers.” Habakuk 3:2 1/ged.

„Een gebed van Habakuk”,—zoo lezen we in het eerste vers van dit hoofdstuk. Een gebed in dichterlijken vorm gesteld, en bestemd om gezongen te worden bij bijzondere gelegenheden.
Zulke gebeden treffen we ook in onzen psalmbundel aan. Zoo velen zijn bekend, uit de psalmen Davids, waarin wel in de eerste plaats de godvruchtige dichter zelf zijn hart uitstort voor God, maar voorts ook de gemeente des Heeren in de gelegenheid stelt om met dezelfde woorden gemeenschappelijk hunne behoeften Gode op te dragen, en met lofgezang Zijn' Naam te prijzen.
Wat aanleiding gaf, en uit welke behoefte Habakuk bidt, daarvan moeten we de verklaring zoeken in het voorgaande. Daarop toch ziet wat de profeet in vs. 2 begint te zeggen, als hij betuigt: Heere! als ik Uwe rede gehoord heb, heb ik gevreesd”. En wat heeft de Heere Zijnen dienaar doen hooren?
De Chaldeën, een heidensch volk, zullen tegen Israël komen, om als roede in Gods hand Israël te tuchtigen. Zoo zal God de zonde bezoeken van Zijn volk dat zich van Hem heeft afgekeerd. Die tuchtiging des Almachtigen zou ontzettend zijn, gelijk gebleken is bij de wegvoering van Israël in ballingschap naar Babel. De profeet, bekommerd over den toestand waarin ook het geestelijk Israël zal komen, bidt dat de Heere Zijn werk in het leven houde in het midden der jaren, en in verband daarmee ziet hij hoe vreeselijk het zal zijn als de fiolen van Gods gramschap over het zondige volk zullen worden uitgestort, wat hem de bede doet slaken: „in den toorn, gedenk des Ontfermens”.
Zulk bidden is pleiten. Pleiten op de genade en de barmhartigheid Gods. Het is alsof de profeet daarmee zeggen wil: Heere! wil toch onder uwe heilige en rechtvaardige strafoefening niet geheel vergeten genadig te zijn. De profeet bidt niet onvoorwaardelijk de oordeelen Gods af, hij weet, hij gevoelt hoe de Godvreezenden zich moeten onderwerpen aan het recht Gods, maar alleen, evenals een misdadiger, die voor zijn rechter niet ontkent de rechtvaardigheid der straf, maar alleen een beroep doet op de barmhartigheid en ontferming van den rechter, alzoo wendt zich de profeet tot den Heere met zijn smeekgebed, pleitende op de ontferming van Zijnen God.
In die ontfermingen Gods had het volk der belofte zoo menigmaal gedeeld. De wondervolle verlossing uit het diensthuis van Egypte, Gods bijzondere leiding door de Schelfzee, zijn bewaring, leiding en verzorging in en door de woestijn, in de verovering van Kanaän, om maar niet meer te noemen, wat was het alles rijk aan bewijzen van Gods ontferming over Zijn erfdeel. Ook toen Israël zelf om zijne zonde van den Heere werd getuchtigd, en het benauwde volk zich voor God verootmoedigde en tot den Heere riep uit zijne benauwdheid, als in de dagen der Richters, bleek telkens bij vernieuwing dat er een oogenblik is in Zijnen toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheid. Telkens dacht de Heere aan Zijn verbond, en aan den eed aan Abraham, Zijnen knecht, en aan Izak, Zijnen uitverkorene, gezworen.
Wél ging bij oogenblikken de beproeving hoog uit, en wél scheen het soms alsof de Heere had vergeten genadig te zijn. Maar neen, altijd roemde de barmhartigheid tegen het oordeel. Altijd bleek de getrouwheid en de onveranderlijkheid Gods tegenover het volk dat naar des Heeren Naam was genoemd. Alleen, de Heere heiligde Zijnen Naam, en handhaafde Zijn heilige wet. Die Mij eeren, zegt God, zal Ik eeren, maar die Mij verlaten zullen licht worden geacht, zij hebben kwaad op kwaad te vreezen.
Ook ten opzichte van de Heidensche volken, kwam de Heere op Zijn tijd om het onrecht te wreken en Zijn gramschap en toorn te openbaren. Toen mate der ongerechtigheid was vol geworden, heeft God de Heere de Heidenen uitgeroeid en verdreven, en Zijn Israël heeft het land ingenomen, door God aan Abraham en Zijn zaad beloofd.
Later zou Babel, dat als roede voor Israël in Gods hand had gediend, Gods straffende hand ervaren. In hoog dichterlijke taal beschrijft Habakuk hoe God de Heidenen in toorn dorschte, en van Zijn Majesteit en heerlijkheid de aarde sidderen deed. De openbaringen Gods aan den profeet gedaan, doet hem zeggen: Als ik het hoorde, zoo werd mijn buik beroerd, voor de stem hebben mijne lippen gebeefd, verrotting kwam in mijn gebeenten, en ik werd beroerd in mijne plaats. Gods kinderen kunnen zeer gevoelig zijn onder de oordeelen Gods. En Zijne dienaren, geroepen om die oordeelen in den naam des Heeren aan te kondigen, hoe kunnen zij in smart verkeeren en in droefheid. Ziet dit in mannen als Jeremia, Ezechiël en Daniël met zoovele anderen, die geweend hebben in bitterheid der ziel.
Deed Jehovah Zijnen dienaar Habakuk blikken in de toekomst, de profeet des Heeren zag en gevoelde hoe bang en hoe moeielijk het ook worden zou voor het oprechte volk van God, in die tijden waarin Gods toorn over de afvalligen zou ontbranden. Om dan in den druk nog moedig het hoofd te kunnen opheffen, aan geen moedeloosheid noch wanhoop zich over te geven, maar met den bekenden dichter nog te zeggen:

In de grootste smarten,
blijven onze harten,
in den Heer' gerust —

zou alleen de genade Gods, welke tot alles genoeg is, hen in staat kunnen stellen. En als dan ook die genade zoo zeer is verzondigd, en ieder voor zich moet bekennen, o God! ik ben de man, wie gevoelt het niet, dan kan het al een Gods ontferming en ondoorgrondelijke barmhartigheid zijn, tengevolge waarvan de Heere de ellendigen redt en helpt.
Daarvan volkomen bewust en doordrongen, treedt Habakuk als pleiter op voor zijn volk en zegt hij in zijn smeekgebed: in den toorn gedenk des ontfermens. Nood en bittere droefheid maken welsprekend, zoo ook hier; 't zijn maar enkele woorden, maar ze houden veel in. De profeet ziet in de ellende, door God hem geopenbaard, meer dan menschen die met alle kracht zich hebben opgemaakt tot den strijd. Hij ziet meer dan groote overwinning en dan wreede heerschappij over een overwonnen en onderdrukt volk.
De dienaar Gods ziet Gods hand in alles. 't Is Gods geduchte toorn tegen de zonde ontstoken, die zal doen weenen en jammeren. Hij ziet hoe de allerhoogste Majesteit in de hemelen lacht met het gewoel der volken en der koninkrijken, en dat alles moet gehoorzamen op Zijn wenken. Maar meer nog dan dit. De man Gods weet ook dat de barmhartigheden des Heeren vele zijn. Hij weet hoe God in andere tijden heeft verlost, verschoond en gered. Hij weet, dat God dat doen kan zonder Zijn Goddelijk recht te krenken. Hij kent God als Verbonds God. En nu is het zoo goed alsof hij zeggen wil: Heere! aanschouw en gedenk Uw Verbond. Wees om Uws Verbondswil met ontferming bewogen, als Uw arm en ellendig volk tot den troon Uwer genade vlucht en zucht. Dat blijft dan altijd nog over voor de ellendigen, als zij den Heere kennen, en van alle zijden worden benauwd en verdrukt, zoodat van 's menschen zijde gezien, alle hoop op redding en uitkomst verloren schijnt.
Gedenk des ontfermens! „Gedenk” zoo bad ook de moordenaar aan het kruis. Gedenk aan Uwe vergadering — zoo bidt de kerk bij een andere gelegenheid. Gedenk, zoo zegt straks in de dagen der benauwdheid die komen zullen het volk, dat om zijner zonden wil door den Heere zal getuchtigd worden. Ook wij doorleven met ons land en volk bange tijden, ofschoon in vele opzichten de verschooning des Almachtigen nog over ons is. Er worden bid- en dankstonden gehouden in ons vaderland, met het oog op de tijdsomstandigheden. Ook met het oog op den ingezamelden oogst worden we tot gemeenschappelijke dankzegging voor Gods aangezicht geroepen. Bij en onder alles wat stof tot klagen gaf en geeft, moet met ootmoed erkend worden: de Heere deed met ons nog niet naar onze zonden.
Zien we rondom ons en denken we aan al de ellende van de ons omringende volken, wiens hart zou dan niet ontroerd worden vanwege al den jammer, al dat bloed en al die tranen. Denken we daarbij aan eigen schuld en zonde, aan onze trouweloosheid, harteloosheid, biddeloosheid, beginnende ieder met zich zelven, en dan daarbij gedachtig aan de algemeene schuld en zonde van land en volk, dan past ons ootmoedige dank, dat we nog zijn mogen die we zijn, maar niet minder de ernstige bede: O God! wees ook onzer, in den toorn des ontfermens, gedachtig. Het is maar niet slechts een verkeerde staatkunde van menschen, het is maar niet een saamloopen van allerlei omstandigheden, dat haast geheel ons werelddeel in vuur en vlam staat, het is Gods geduchte toorn over de zonde en ongerechtigheid der volken, die we in alles hebben op te merken. Gods Woord is verworpen, Zijne heilige ordonnantiën zijn versmaad. Men heeft zich op verregaande wijze aan Christus' verwerping schuldig gemaakt. Gods heiligen Naam wordt gelasterd en smaadheid aangedaan. Geen waarschuwingen noch dreigementen konden baten.
En nu, nu is de Heere gekomen, om gelijk weleer te toonen dat Hij geen ledig aanschouwer is van het kwaad. Allergeweldigst zijn de uitbarstingen, allervreeselijkst de slagen die vallen, 't Is of de geheele wereld moet worden uitgemoord. Zal ons land nog voor het ergste gespaard blijven? Zal ons volk in schuld komen voor God? Zal er verootmoediging komen, waarop we hopen mogen, de Heere weet het, en Hij alleen.
Dit weten we wel, als we nog bewaard en verschoond mogen blijven voor de verschrikkingen van het zwaard, dan zal het niet zijn om onze uitnemendheid of voortreffelijkheid boven anderen. Dan zal het alleen en uitsluitend zijn te danken aan de ontfermingen onzes Gods. Dat allen die bidden hebben geleerd, dan als een Habakuk opzien tot den Heere, en pleiten op de barmhartigheden des Heeren. Ziende op de genadige onderscheiding van zoo velen, mag het woord van den vrome uit Israël wel de taal van ons hart zijn: Loof den Heere mijne ziel en vergeet geen van Zijne weldaden.
Ondankbaarheid is mede één van de meest heerschende volkszonden onder ons. Waarin toch, zoo mogen we wel vragen, wordt God nog erkend? Waartoe hebben de rijke zegeningen ons geleid, zoo lang en zoo veel door den Heere geschonken? In weelde, in ijdelheid en in miskenning van den Gever aller gaven is men opgegaan. Wat al verval en achteruitgang ook onder de belijders der Goddelijke waarheid! Neen we zijn niet zwartgallig, we zijn geen pessimist, als we met een Jeremia de bange en droeve klacht uiten, dat het fijne goud verdonkerd en aan aarden flesschen is gelijk geworden.
De Zoon Gods, die eens weende voor de poorten van Jeruzalem wegens de blindheid en de verharding van het Joodsche volk in die dagen, zou, als de Heere andermaal in de menschelijke natuur op aarde rondwandelde, ook kunnen weenen over dezelfde zonden van ons volk. Er is dan ook oorzaak voor ons om ontroerd en bevreesd te worden als we hooren dat noodgeschrei dat rondom ons gehoord wordt. Als we acht geven op de oordeelen Gods, en zien hoe de Heere een twist heeft met de volken der aarde. En nog, — nog roept een stem Gods van den hemel ons toe: Bekeert u, bekeert u o volk van Nederland, want waarom zoudt ge sterven! In Christus is de weg naar Gods troon nog ontsloten. Om Christus' wil, wil de Heere nog genadig zijn hun, die in ootmoed en schuldbesef tot Hem de toevlucht nemen. Dat er uit Gods Overblijfsel nog een ernstig geroep opga ten hemel, dat we in het verborgene en ook in onze gemeenschappelijke samenkomsten, ons gedurig stellen voor Gods aangezicht met een Habakuk biddende: O Heere, onze God, wees om Christus' wil, uit genade, in het midden des toorns ook ons nog des ontfermens gedachtig. Hij is de Heere, van Wien Zijn volk heeft getuigd:

„Op hun noodgeschrei,
deed Ik groote wond'ren.”

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1916

De Wekker | 4 Pagina's

Wat Habakuk bidt

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1916

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken