Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Luther, Calvijn, de Cock en de Kerkhervorming (XXIX)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Luther, Calvijn, de Cock en de Kerkhervorming (XXIX)

4 minuten leestijd

En dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. I Joh. 5:4b.

Laat ons nu nog enkele passages uit Calvijn's standaardwerk lezen, die ons niet in het onzeker laten, hoe deze Hervormer zeer beslist de Infra-lapsarische beschouwing huldigt. Wanneer er zijn, die naar logische denkwetten in den onnaspeurlijken Raadslag Gods willen indringen en het lood in dien bodemlooze zeediepte willen neerlaten, dan roept Calvijn hun toe om toch bescheiden te zijn en zegt: „Daarom laat ons liever in de verdorven natuur van het menschelijke geslacht de klare oorzaak der verdoemenis, die ons nader en beter bekend is, aanschouwen en bemerken dan de verborgen en ten eenenmale onbegrijpelijke oorzaak in Gods praedestinatie onderzoeken.”
Mij dunkt, dat wij in deze woorden van Calvijn den klankbodem vinden, van 't geen later in onze belijdenis art. 15 werd uitgedrukt, waar staat „deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing wijst en prijst ons de H. Schriftuur daarmede allermeest aan, wanneer zij wijders getuigt, dat niet alle menschen zijn verkoren maar sommigen niet verkoren of in Gods eeuwige verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar Zijn gansch vrij, gansch rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemeene ellenden te laten, in welke zij zich door hunne eigene zonden hebben gestort en met het zaligmakend geloof in de genade niet te begiftigen, maar dezelve in hun eigen wegen en naar Zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden tot verklaring van Zijne gerechtigheid te verdoemen en eeuwiglijk te straffen.” In deze woorden der belijdenis, die geheel het Infra-standpunt vertolken, vindt ge de omschrijving van 't geen Calvijn, zoo voortdurend in zijn institutie laat uitkomen, dat de allerhoogste nimmer in Zijn Raadslag den mensch afgedacht van zijn val en zijn schuld heeft aangemerkt. Zoo schrijft de Hervormer in boek 3—23—10 „Want dewijl wij de oorzaak, waarom sommigen verlost worden uit het algemeen verderf, te weten, degenen, die God tot erfgenamen Zijns Koninkrijks aanneemt, alleen brengen en betrekken tot Gods wil, zoo besluiten sommigen daaruit dat er bij God aanneming des persoons zou zijn, 't welk de H. Schrift alom tegenspreekt.”
En om ten laatste nog een sterk sprekend bewijs aan te halen, hoe het toch niet aangaat om Calvijn te dringen aan de zijde van de supra-theologen, moge het volgende dienen (Institutie boek 3. 23. 11). Daarin beschuldigen sommigen God valschelijk van onrechtvaardigheid, dat Hij in de praedestinatie niet dezelfde maatstaf gebruikt voor alle menschen. Indien Hij, zoo zeggen ze, alle menschen schuldig bevindt, zoo laat Hij dan ook alle menschen evengelijk straffen, is het, dat Hij alle menschen onschuldig oordeelt, zoo laat Hij de strengheid zijns oordeels van allen afhouden. Maar dezulken handelen alsof het God verboden ware barmhartig te zijn en alsof Hij gedrongen zou zijn, Zijn oordeel geheel te verzaken, wanneer Hij barmhartigheid oefenen wil. Wij stemmen toe, dat de schuld algemeen is, maar wij zeggen dat de barmhartigheid Gods aan sommigen te hulp komt. Zij zeggen, laat de barmhartigheid allen te hulp komen. Doch wij antwoorden, dat het recht is, dat Hij door het straffen van sommigen zich betoont te zijn een rechtvaardig Rechter.” En hierop volgt in ditzelfde betoog de niet minder glas heldere uitspraak, die Calvijn als Infralapsariër boven allen twijfel kenmerkt: „Naardien het gansche menschelijk geslacht in den eersten mensch tot verdoemenis vervallen is, zoo is het, dat die vaten, die daaruit ter eere gemaakt zijn, vaten zijn niet van Gods rechtvaardigheid, maar van Gods barmhartigheid. Dat God degenen, die Hij verwerpt de schuldige straf betaalt en vergeldt, en dengene, dien Hij roept de onverdiende genade schenkt en mededeelt”, daarin wordt Hij van alle beschuldiging bevrijd door gelijkenis van een schuldheer, in wiens macht het is, den een de schuld kwijt te schelden, van den ander de schuld te eischen.”
Werkelijk met zulke uitspraken voor ons, is het mij al grooter raadsel, hoe men ooit Calvijn een Supra-lapsarier heeft kunnen noemen. Een man, die zoo sterk als hij, verkiezingen verwerping als daden van Gods barmhartigheid en rechtvaardigheid schetst, kan niet anders dan door en door Infra-lapsarisch zijn.”

A. (Amsterdam-W.) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1918

De Wekker | 4 Pagina's

Luther, Calvijn, de Cock en de Kerkhervorming (XXIX)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1918

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken