Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hoofdstuk IV. Wat de reformatie ons schonk (5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoofdstuk IV. Wat de reformatie ons schonk (5)

Onze Kerkregeering (IX)

5 minuten leestijd

In de praktijk van het kerkelijk leven maakt het een groot verschil, of men de collegialistische of presbyteriaansche idee toepast. Volgens collegiaal stelsel sluit men zich aan bij de kerk door eene vrije wilsdaad en heeft men dus ten allen tijde het recht zich weer af te scheiden van de kerk, m.a.w. zijn lidmaatschap op te zeggen; volgens presbyteriaal stelsel sticht Christus zijn kerk en voegt Hij de leden toe aan zijne gemeente door ze in zijne kerk te doen geboren worden of door ze door belijdenis te brengen tot de kerk, zoodat men alleen door den ban buiten de gemeente kan worden gezet.
Wanneer nu iemand naar collegiaal idee zijn lidmaatschap opzegt, terwijl hij onder kerkelijke behandeling is, moet de kerkeraad dan met de censure doorgaan? Op die vraag zegt ons kerkelijk handboekje: „de kerkeraad zal naar omstandigheden met hem handelen”. Hier is dus geen besliste uitspraak. Wel voegde prof. de Cock hierbij: „Bij deze bepaling moet worden opgemerkt, dat de Nederlandsche wetgeving het recht erkent om zich ten allen tijde af te scheiden en het lidmaatschap op te zeggen. Een kerkeraad kan en mag ook niet anders handelen, dan dit recht te eerbiedigen en hij mist het recht met de censure door te gaan, indien iemand zijn lidmaatschap heeft opgezegd”, doch dit woord van de Cock is geen kerkelijke bepaling. Onze kerk was blijkbaar huiverig eene bepaling te maken, die meer collegialistisch dan Gereformeerd was.
De Geref. kerken in ons land hebben op de Synode van Middelburg 1896 uitgesproken „dat ten slotte toch altijd zoowel het zich voegen bij de kerk als instituut, als het blijven daarbij, kerkrechtelijk aan de vrijheid van ieder persoonlijk moet verblijven” en „dat iemand geen object meer kan zijn van de kerkelijke tucht, als hij volhardt in de opzegging van zijn lidmaatschap”. Hier is dus meer naar collegialistisch idee gehandeld.
Op de Synode der Christ. Geref. Kerk van Amerika in 1916 kwam deze vraag ook ter sprake. Er werd eene commissie benoemd die in 1918 rapport zou uitbrengen en zie deze commissie was zóó verdeeld, dat zij 2 rapporten ter Synode indiende, die lijnrecht tegenover elkaar staan. Het ééne rapport erkent de vrijheid zich aan te sluiten bij en af te scheiden van de kerk, evenals het collegialistisch systeem dat doet, het andere rapport zegt: „Daar het lidmaatschap met al zijn rechten en plichten alleen door Christus is ontstaan, heeft Hij alleen daarover te beschikken, en dit doet Hij alleen door den kerkeraad als bedienaar van Zijn gezag. Een lid heeft dus zelf geen recht om voor zijn lidmaatschap te bedanken, want de wet, waarop zijn recht als lidmaat rust, verbiedt hem deze daad, aan zijn eigen wil kan hij dit recht niet ontleenen, want zijn wil is geen bron van recht. Aan de overheid kan hij dit recht ook niet ontleenen, want de overheid heeft hoegenaamd geen gezag over de kerk en haar lidmaatschap. Iemand kan dus alleen ophouden lid der kerk te zijn doordat de kerkeraad vanwege Christus op grond Tan de wet der Kerk hem afsnijdt.”
Uit deze aangehaalde voorbeelden blijkt, hoe de theorie naar het Gereformeerde principe der 16de en 17de eeuw neigt, en hoe depraktijk de revolutionaire en collegiale methode wil volgen. In den grond staat hier Christocratie (Christusregeering) tegenover democratie (volksregeering), wortelt de kerk in een Godsdaad of eene menschelijke wilsdaad, is zij theologisch of anthropologisch, goddelijk of menschelijk van aard.
Het collegialisme zegt het laatste en ontkent dat de kerk eene stichting van Christus is. Daarom erkent het ook niet Christus oppergezag in de kerk. Niet Gods Woord is regel, maar de wil der meerderheid beslist, wat als regel zal gelden. Treffend zeide Dr. Kuyper eens van dit stelsel: „Is de helft plus één vóór Jezus, welnu, dan behoudt de kerk haar christelijk karakter; maar ook valt het anders uit, dan is diezelfde kerk allicht morgen 't zij Joodsch, 't zij Mohammedaansch”. Bij dit stelsel kan dus de meerderheid besluiten tot leervrijheid en de kerk is eene belijdenislooze kerk geworden. Overigens kan het collegiale systeem zich vinden in alle soort van kerkregeering, mits slechts het gezag berust bij den vrijen wil der meerderheid. Het zou zelfs een Paus of een aartsbisschop kunnen dulden aan het hoofd der kerk, mits deze maar handelde naar hetgeen de meerderheid besloot. Ook wil het een Synodaal bestuur dulden, met provinciale en classicale besturen, doch de helft plus één der leden moeten beslissen, wat wet is in het kerkbestuur.
Zoo schonk dus de reformatie eene verlossing van het pauselijk stelsel, maar kwamen, naast het presbyteriale stelsel, weer vele andere stelsels op, ook in de landen der reformatie, welke afweken van de regeering der kerk ons in het Nieuwe Testament aangegeven. Een volgend hoofdstuk zal ons doen zien welke kerkregeering, in ons land gevestigd is.

's Gr. ('s Gravenhage) de Br.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1918

De Wekker | 4 Pagina's

Hoofdstuk IV. Wat de reformatie ons schonk (5)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1918

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken