Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Niet door kracht noch door geweld

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Niet door kracht noch door geweld

10 minuten leestijd

„Toen antwoordde hij en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des Heeren tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht, noch door geweld maar door mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heere der Heirscharen.” Zacharia 4:6.

„Wat zijn deze dingen? zoo vraagde de profeet Zacharia, toen hem door den Engel des Heeren in een vijfde gezicht getoond werd, een kandelaar geheel van goud, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijne zeven lampen daarop. Die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren en twee olijfboomen daarnevens, één ter rechterzijde van het oliekruikje en één tot deszelfs linkerzijde.
Bewust van de hooge persoonlijkheid welke in den Engel des Heeren voor hem stond, spreekt de profeet hem aan met den naam van Heere, en vraagt dan: Mijn Heere! wat zijn deze dingen? Groote verborgenheden waren het, welke door den Heere, in die onderscheiden gezichten, aan Zijnen dienaar Zacharia werden geopenbaard. Alleen door Goddelijk onderwijs was het mogelijk, voor den profeet, die ook slechts een menschenkind was, om den juisten zin te verstaan, van hetgeen de Heere hem zien liet.
Op zijn vraag antwoordt nu de Engel die tot hem sprak met te zeggen: Dit is het woord des Heeren tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heere der Heirscharen.
Zerubbabel de Vorst, en Jozua de Hoogepriester, waren de twee mannen die aan het hoofd stonden van de wedergekeerden uit Babel. Onder hun leiding zouden stad en tempel worden herbouwd. Zij waren die twee olietakken, welke voor den Heere der gansche aarde staan, om Hem te dienen en van Hem bevelen te ontvangen. Zij waren het, die met de olie des Geestes gezalfd, door God werden bekwaamd tot de gewichtvolle taak, waartoe de Heere hen had geroepen.
De stad Jeruzalem herbouwd te zien was natuurlijk, als we het eens zoo noemen mogen, het ideaal, waar de wedergekeerden uit Babel zoo verlangend naar uitzagen, en daarbij den tempel in hun midden, dat was hoofdzaak van alles. Maar dat groote werk door Zerubbabel begonnen, zou op tegenstand stuiten. Bezwaren van buiten en van binnen, bezwaren van verschillenden aard deden zich weldra voor. Bezwaren die als een berg zich samenpakten, en die naar menschelijk oordeel de voltooiing van het werk onmogelijk zouden maken. Zoo gaat het trouwens altijd met het werk Gods. Dat werk wordt beproefd. En dat er dan onder Gods toelating veel kan gebeuren, is ook bij de herbouwing van Jeruzalem en haar tempel gebleken.
Wat hebben de vijanden een macht ontwikkeld. Hoe hebben de lasteraars van Gods oude volk het uiterste beproefd, om het doel der Joden te verijdelen en het werk van Zerubbabel te vernietigen. Wat hebben de Sanballat's en de Tobia's, de Samaritanen, met al dat gepeupel saamgewerkt, om, was het mogelijk, de groote onderneming, die reeds aangevangen was, voor altijd stop te zetten.
Maar neen, al schijnen alle vijanden samenspannend, het daar op aan te leggen, en al schijnt het, dat dit alleen door een groote kracht van menschen, en door daden van geweld gekeerd kan worden, niet alzoo zegt de Heere. „De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijne handen zullen het ook volbrengen. Dit zal niet door kracht noch door geweld van menschen, maar door mijnen Geest geschieden zegt de Heere der Heirscharen”.
In het vorige hoofdstuk zien we hoe de Satan Jozua wederstond, hem aanklagende en beschuldigende bij God, door te wijzen op zijn vuile kleederen. Doch de Heere schold den Satan en handhaafde Jozua, van wien de Heere getuigde: „zie Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselkleederen aandoen.” En nu is het Zerubbabel, die als voor een berg van zwarigheden geplaatst, de hulp, de bescherming en de vertroosting des Heeren zoo noodig heeft, om voort te gaan en te volharden in en met het aangevangen werk. Zegt de Heere, dat het tot stand komen van het werk niet door kracht noch door geweld zal geschieden, dan wil dit niet zeggen, dat Zerubbabel en Zijne helpers maar bij de pakken moeten nederzitten om verder maar. lijdelijk af te wachten, de dingen die komen zullen. Ganschelijk niet. Er moet met ijveren kracht worden gearbeid. In de boeken van Ezra en Nehemia kunnen we lezen hoe zich dit heeft toegedragen. Soms in de eene hand zijn wapen en in de andere hand zijn gereedschap.
Als God een David verwekt om Goliath te verslaan, dan moet David er op af. Welk middel daarvoor dienen moet, doet er niet toe. Maar als David met den slingersteen den reus ter aarde heeft doen vallen, springt hij er op en doodt Goliath met diens eigen zwaard, 't Is bij dit alles, altijd voor alle dingen maar de vraag: of we optreden en werkzaam zijn naar Gods wil en of we ons stiptelijk houden aan de bevelen des Heeren. Al kan Mozes dan moeielijk spreken, dan gaat hij toch in de kracht des Heeren naar Farao. Al was Gideon de kleinste en geringste in Zijns Vaders huis, dan zal hij met een kleine keurbende van slechts driehonderd man, het groote leger der Midianieten verslaan. Vinden de mannen, die Gods stad en tempel moeten herbouwen tegenstand, wel zeggen zij: wij zullen als de knechten des Heeren ons opmaken en bouwen. Zien we dan, dat trots allen tegenstand, het werk toch gelukt en totstandkomt, dan is dit niet door de kracht noch door het overleg van menschen, maar door mijnen Geest zegt de Heere.
Wat hier geschiedde was nog maar een schaduw van hetgeen later gebeuren zou. Met de uitstorting van den Heiligen Geest op den Pinksterdag was het bouwwerk begonnen van de nieuw Testamentische gemeente, die ook een tempel Gods wordt genoemd. Sprekende tot de gemeente zegt een Paulus: Wij zijn Gods medearbeiders, en gij gemeente, gij zijt Gods gebouw. Gij zijt Gods akkerwerk. Was het een groote berg van bezwaren, waar een Zerubbabel tegen aanzag, vraag eens welke en hoe groote bezwaren, de apostelen en hun mededienaren hebben ontmoet. Hoe is door alle eeuwen gebleken, dat niets meer tegenstand in de wereld ontmoet, dan de arbeid in en voor het koninkrijk Gods. Geen middel wordt door Satan onbeproefd gelaten, onder de toelating des Heeren om, was het mogelijk, het werk Gods te verderven. Maar ook in dezen geldt het woord des Heeren: „niet door kracht noch door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden.”
De olie des Geestes is het, waarmede de Heere Zijne dienaren bekwaamt en toerust. Groote verborgenheden zijn het, die den profeet in den gouden kandelaar, in dat oliekruikje, in die twee olijfboomen en in die takjes der olijfboomen, ja in dat gansche gezicht worden getoond. Het ligt buiten ons bestek en doel om in te gaan op al die bijzonderheden. De hoofdzaak is het, waar we, volgens onzen tekst, de aandacht op vestigen, dat van de kracht en de werking van Gods Geest, de gewenschte uitslag van Zerubbabels onderneming moet worden toegekend. En evenzoo zal het in later eeuwen geschieden, bij den bouw van dien geestelijken tempel, die, gelijk Petrus in één Zijner brieven opmerkt, gebouwd wordt uit levende steenen.
Voor alle navolgende eeuwen en geslachten blijft de geschiedenis van het gebeurde op den Pinksterdag te Jeruzalem, een krachtig bewijs, voor de waarheid van hetgeen de Heere door Zijn engel aan Zacharia bekend maakte. Niet door de bijzondere gave of welsprekendheid van een Petrus, maar door de krachtdadige werking van den Heiligen Geest was het, dat op één enkelen dag, zulk een groote schare werd toegebracht tot de gemeente die zalig wordt. Groote en machtige vijanden vallen als verslagen aan de voeten der apostelen, met de vraag: „wat moeten wij doen opdat wij zalig worden.” En als ook later op den arbeid der apostelen zulk een rijken zegen rust, dat we overal zien en hooren de gezegende uitbreiding van het koninkrijk Gods, dan leert ons dit, dat het de Heilige Geest is, die der menschen verstand verlicht en door zijn herscheppende werking, den zondaar maakt tot een nieuw mensch, in Christus Jezus den Heere. Welk een geheel eenige beteekenis krijgt dan den naam van Jezus Christus den Heere, voor een door den Geest ontstelde zondaar. Dan verstaat en gelooft ge het, dat er geen anderen naam onder den hemel is gegeven, door welken wij moeten zalig worden. In het persoonlijk leven, wordt de vraag zoo menigmaal gedaan: wat zal er van deze en van die; — wat zal er van mijn man, wat zal er van mijne vrouw, wat zal er van mijne kinderen nog worden? Niet uit ijdele nieuwsgierigheid, maar uil ware liefde en belangstelling in hun eeuwig zielenheil, vragen de oprechten aldus, bij zichzelven. En het antwoord, op die zoo teedere, zoo ernstige levensvraag, staat altijd in het nauwste verband met hetgeen we in bovenstaande woorden lezen. Alleen door Gods Geest zal het geschieden, als de doove zal hooren, de blinde zal zien en de geestelijk doode zal leven. In het gezicht van den profeet Ezechiël, wordt het aanschouwelijk verklaard. De profeet zag een valei vol doodsbeenderen. Hoe zullen die doodsbeenderen leven? Als de profeet den Heere gehoorzaamt en profeteert. Ezechiël zegt niet: Heere! dat kan toch niet, Hij vraagt ook niet: hoe kan dat? de man gehoorzaamt. En gij kent de uitkomst. Die beenderen werden saamgevoegd, met vleesch en huid bekleed, en het werden levende wezens. Zoo doet de Heere nog. Aan doode zondaren wordt het evangelie gepredikt. En ook wij hebben niet te vragen, hoe kan dat. Wij hebben eenvoudig te gehoorzamen, en dan zien we in de uitkomst, dat zoo velen gelooven, als er ten eeuwigen leven zijn verordineerd. De Geest is het die levend maakt, en die alle dingen werkt naar Zijnen wil. Van dien Geest getuigt de Heere Christus, dat de hemelsche Vader dien geven wil en zal aan allen, die in oprechtheid Hem er om bidden. Is er gedurig klachte, dat in vele gemeenten een toestand heerscht, die aan de vallei van Ezechiël denken doet, niet door kracht noch door geweld, niet door wijsheid of wetenschap van menschen, maar alleen door Gods Geest kan en zal het geschieden. Als deze komt met zijn zaligmakende en onwederstandelijke werking, dan zal de taal der levenden worden gehoord, die daar zegt: komt, luistert toe, gij allen, die God vreest, en Ik zal U vertellen, wat de Heere aan mijne ziel gedaan heeft. Klimme bij den ernst der tijden waarin we leven, daartoe gedurig het gebed, van allen, die bidden geleerd hebben, tot den troon der genade. Het is nog dezelfde Heere, die weleer tot zijn oude volk zeide:
„Op uw noodgeschrei deed ik groote wonderen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1919

De Wekker | 4 Pagina's

Niet door kracht noch door geweld

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1919

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken