Bekijk het origineel

De eerste verschijning van den levenden Verlosser

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De eerste verschijning van den levenden Verlosser

10 minuten leestijd

„En als Jezus opgestaan was des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had,”Markus 16:9.

De dag der opstanding van Christus is een dag van onbeschrijfelijke vreugde geweest voor de discipelen en de disci-pelinnen des Heeren.
Een dag was dit van groote verrassingen. Een dag voor geheel de kerk des Heeren, voor alle volgende eeuwen van oneindige waardij.
Alleen de levende Christus kan de Verlosser van zondaren zijn.
Dit heeft ook Maria Magdalena begrepen, die Jezus zoo innig lief had. Haar ging het, gelijk ook anderen, zij kan het groote mysterie van Jezus' dood en opstanding niet vatten.
En als we die Maria ons nu indenken, gelijk zij in het Johannes-evangelie geteekend is, weenende bij het graf van Jezus, dan Iaat het zich wel eenigszins denken, wat er in haar hart omging. Zij heeft gebukt bij, en gezien in het graf, maar zij zag het lichaam van Jezus niet. Wel zag zij twee lichtgestalten (engelen) die haar vraagden: vrouw ! wat weent gij. Dal getuigde wel van belangstellingen deelneming, maar dat was voor Maria niet genoeg.
Daarom antwoordt zij met te zeggen: zij hebben mijnen Heere weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. Of zij op datzelfde oogenblik het geruisch van voetstappen, of iets anders heeft gehoord, weten we niet, maar in elk geval blijkt, dat zij zich achterwaarts keerde, en iemand zag, doch zij zag niet, dat het Jezus was. En Maria kende Jezus zoo goed. Was de Heere dan zoo veranderd, of hoe moet het verklaard, dat Maria opzag en Jezus niet kende?
Doch men kan evenzoo vragen in betrekking tot de Emmausgangers, en van hen lezen we, dat hunne oogen gehouden werden, dat zij Hem niet kenden. Sommigen hebben gemeend, dat Maria door haar groote droefheid slechts een persoon beeft gezien, zonden deze nauwkeurig waargenomen te hebben, en dat zij daarom eenvoudig dacht, dat het de hovenier was.
Liefst gelooven we, dat de Heere op bijzondere ons onverklaarbare wijze zich aan Maria wilde openbaren, op dezelfde wijze als waarop ook anderen in zulk eene openbaring des Heeren hebben gedeeld. Dit is echter iets van meer ondergeschikt belang, waarom we daar nu niet meer van zullen zeggen.
Alleen willen we nog doen opmerken, dat verschijning en openbaring niet hetzelfde is. Met verschijning zag men Jezus, maar door openbaring kende men Hem. |
We zouden kunnen zeggen: zoo gaat het nog, in betrekking tot de prediking van het evangelie. In en door die prediking verschijnt Christus aan ons, dan wordt Hij ons voor de oogen geteekend.
Maar komt daar nu niets bij, dan blijft de mensch zoo als bij is. Het geweten mag eens geraakt en de hartstochten kunnen in beweging komen, maar dat gaat alles om buiten het hart. Openbaring zegt meer dan verschijning. De verschijning aan de Zijnen, gaat met openbaring gepaard. Jezus verscheen aan Maria, maar de Heere openbaarde zich ook aan haar. Vraagt ge hoe?
Dan blijkt, dat de Heere wonderlijk is al Zijn weg en werk. Engelen hebben aan de diep bedroefde Maria gevraagd: wat weent gij?
En nu gebruikt Jezus dezelfde woorden, en vraagt ook: vrouw I wat weent gij, maar de Heere voegt er een tweede vraag aan toe, met daarop te laten volgen:
Wien zoekt gij?
Nu kan ze haar tranen den vrijen loop geven, en nog in de meening, dat een ander persoon voor haar stond, spreekt zij dezen aan met den naam Heer, en zegt: zoo gij hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij hem gelegd hebt, en ik zal hem wegnemen.
Zou Maria dat kunnen?
Ach, de liefde is bij Maria aan 't woord, en dan wordt er niet allereerst gerekend met hetgeen we wel en wat we niet kunnen.
Maar met de vraag: wien zoekt gij, zijn de diepste snaren van haar hart geroerd.
O er is er slechts Eén die weet, waarom zij zoo bitterlijk weent. Zij gevoelt een gemis, dat met de gansche wereld niet goed is te maken. Maria moet weten, waar Jezus is. Zonder die wetenschap kan zij niet leven en niet sterven.
Zij denkt er ook niet over na, of er ook gevaar aan verbonden kan zijn, om zoo vrijmoedig te doen uitkomen, dat zij eene discipelin des Heeren is. O neen, dat spreekt zij door geheel haar openbaring, zoo duidelijk uit, als het maar kan.
En hoe weinig is nu maar noodig, om Maria's droefheid in blijdschap te veranderen. Als Maria maar ziet, wie het is, die tot haar spreekt, dit eene zal haar daartoe genoeg zijn.
Niet slechts tot haar, maar tot duizenden met haar, kan hetzelfde gezegd worden: slechts één ding is noodig.
En het wonderlijkste is, we zien het hier, in die weenende Maria: wat was de Heere, dien zij zocht, dicht bij haar.
Doch zegt dit maar aan die naar Jezus zoekende zielen, maar zij hebben er niets aan. Persoonlijk moeten onze oogen daarvoor geopend worden.
Jezus noemt Maria bij haar naam, anders niet. „Maria!” klinkt het van Zijn gezegende lippen en Maria verstaat het. Zij kent die stem van den Herder, van Wien zij een schaapje is.
Als muziek klinkt het haar in de ooren, haar naam te hooren, van Hem dien zij zocht en dien ze nu aanstonds herkende. Alle twijfel is op een oogenblik uit haar hart verdwenen. Dat ééne woord „Maria” was haar als een geheele predikatie,
't Was of de Heere tot haar zeggen wilde: Maria ! zie mij nu eens goed aan, en overtuig u, dat Ik het ben, die u van zeven duivelen heb verlost, die ook voor u is gestorven en voor u is opgestaan en dien ge nu voor u ziet, als de Opstanding en het Leven. Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester, zoo spreekt zij haar erkentenis uit.
Ja, zoo kent zij Jezus als haar Meester en Heere, als haar eeuwig gezegende Verlosser, van Wien ze nu weet, dat Hij wel gestorven en begraven, maar ook opgestaan is uit de dooden.
Wellicht, dat ze van blijdschap Jezus' voeten wilde aangrijpen, maar neen: raak mij niet aan, zegt de Heere, want Ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader, maar ga heen tot mijne broeders, en zeg hun: „Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, tot mijnen God en uwen God”.
Welk een veelbeteekenende tijding, welke deze zendelinge van haar Meester ontvangt, en waartoe zij verwaardigt wordt, om ook anderen in haar blijdschap te doen deden.
Welk een wereld van gedachten ligt er begrepen in die woorden: mijnen Vader en uwen Vader, mijnen God en Uwen God. Daar lezen we de geheel eenige betrekking in, waarin de verheerlijkte Christus staat tot de Zijnen.
En nu vraagt Maria niet: Heere ! laat mij bij U mogen blijven, neen zij is aanstonds bereid om haar last te volbrengen, welke haar is opgedragen. Als op vleugelen gedragen, spoedt zij zich voort om het den discipelen te gaan zeggen, dat zij den Heere heeft gezien, en dat Hij haar dit had gezegd.
Maria mistte Jezus, toen zij daar aan het graf stond te weenen. En wie dit gemis niet kent, kan daar moeilijk over oordeelen. Allen kennen we ander gemis, dat ook pijnlijk kan zijn, en dat ook bitter kan doen weenen.
Een man moet zijn vrouw of een vrouw haar man, ouders, hun kind, of een kind zijn vader of zijn moeder verliezen, och wat smart en droefheid kan dat veroorzaken.
Maria stond bij het graf van Jezus. En waar worden er meer tranen geschreid dan aan de graven onzer afgestorvenen. Onze kerkhoven zijn met tranen doorweekt.
Maar hoeveel en hoevelerlei er ook geweend wordt, het weenen om het gemis van Jezus is en blijft altijd van al het andere weenen te onderscheiden. Dat staat in verband met ons zieleleven, daar staat meer mee in verband dan tijdelijk verlies.
De omstandigheden, waarin Maria verkeerde waren van een zeer bijzonderen aard. Maar er zijn ook andere toestanden en omstandigheden in het leven, welke oorzaak geven, dat men Jezus mist, en dat dit gemis ons weenen doet.
Treurig is het, dat zoo velen in dat gemis deelen, zonder dat dit hun ware droefheid veroorzaakt. We moeten ons gemis zien en gevoelen, dan is het geen bijzaak. Dan kunt ge u niet behelpen met uw rechtzinnige belijdenis. Dan is het u niet genoeg, dat menschen u prijzen en om uw godsdienstig zijn, u hoogschatten. Zoodra een mensch onder welke omstandigheden dan ook levend, gewaar wordt, het ééne noodige te missen, dan wordt het zoo bang.
Hebt ge dan vroeger al eens wat van 's Heeren gunst en gemeenschap mogen genieten, och wat kan dit dan tot droefheid stemmen, wetende, dat het onze zonden zijn, die de oorzaak zijn van alle onze ellenden. Gelukkig dat onze ontrouw, de trouw des Heeren niet zal te niet doen. De Heere kent al de gebreken en zwakheden zijner gunstgenooten.
Hoe klein en zwak is vaak ons geloof. Alleen de zonde des ongeloofs, kan zooveel gemis veroorzaken.
En altijd blijkt maar, dat de Heere alleen onze behoefte vervullen kan.
Zoo was met Maria, en zoo is het met allen, die den Heere Jezus in onverderfelijkheid liefhebben.
En wat dan te denken van hen, die al zooveel in hun leven over anderen dingen, maar nog nooit om gemis van Jezus hebben geweend ?
Iemand heeft eens gezegd: de tranen zijn de Christus niet, en dat is wel waar, maar de vraag is, of er iemand zonder tranen in den hemel is gekomen.
Doch hoe dit zij, de eerste verschijning van Christus na 's Heeren opstanding, blijft een heerlijk antwoord op de vraag: hoe de Heere de tranen der Zijnen droogt.
Maria zocht naar Jezus, en alle ware en oprechte zoekers is de belofte gedaan, dat ze vinders zullen worden, en die Jezus vindt, die vindt het leven en trekt een welgevallen den Heere.
Neen het evangelie der Opstanding komt niet als een troostlooze leer tot den mensch. Die het waarlijk om Jezus te doen is, behoeft niet te vreezen, te vergeefs te zoeken.
De psalmdichter zegt: Gij die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan grijpt moed, uw hart zal vroolijk leven, nooddruften veracht zijn goedheid niet, nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. Zoovelen die met tranen hebben gezaaid, die met gejuich hebben gemaaid.
Zoek het niet verre, wat nabij te vinden is. Als het de Heere behaagt zich aan een zoekende te openbaren, we zien het aan Maria, dan is er maar één wenk noodig. Dan gaan onze oogen open, en we zien Hem, die onze ziel lief heeft.
Dan zien we Hem als onze Verlosser, die dood geweest is, maar weder levend is geworden, en die nu leeft tot in alle eeuwigheid.
En hebt ge door het geloof Jezus mogen zien in het licht Zijner eigen openbaring, dan is het ook uwe roeping om anderen bekend te maken, met de blijde boodschap des heils.
Eenmaal zullen al de vrijgekochten des Heeren, den Heere in heerlijkheid aanschouwen, als de pelgrimsreis door het tranendal ten einde zal zijn.

Dan zal het wezen: ééne kudde en één Herder en dan zal God de Heere alle tranen van de oogen afwisschen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1920

De Wekker | 4 Pagina's

De eerste verschijning van den levenden Verlosser

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1920

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken