Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vallen in de handen des Heeren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vallen in de handen des Heeren

10 minuten leestijd

„Toen zeide David tot God: mij is zeer bang, laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijne barmhartigheden zijn velen, maar laat mij in de hand van menschen niet vallen.” 2 Sam. 24 : 14.

„Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-seba toe, en tel het volk, opdat ik. het getal des volks wete.”
Zoo beval Koning David aan Joab zijn' krijgsoverste. Joab zag hier, hoe dan ook, kwaad in, en trachtte den koning van dit voornemen te doen afzien. Maar des konings woord nam de overhand, en de man werd gedwongen des konings bevel te gehoorzamen. Dit was kwaad in de oogen des Heeren.
Als twee menschen hetzelfde doen, is het daarom nog niet hetzelfde. Meermalen is het geschied, dat God zelf bevel gaf om het volk te tellen, maar dan had dit een geheel andere bedoeling. Davids verlangen om het volk te tellen kwam voort uit eerzucht, uit louter hoogmoed.
Er staat wel in het begin van ons teksthoofdst. dat de Heere David aanporde om deze zaak te doen, met het oog waarop gevraagd kan worden, hoe die volkstelling dan toch David tot zulk een groote zonde kan gerekend worden.
In 1 Kronieken 21 wordt ons dezelfde geschiedenis herhaald, met dit onderscheid, dat we daar lezen, dat de Satan David aanporde.
Uit vergelijking van die beide plaatsen blijkt, dat niet de Heere, maar de Satan de eigenlijke bewerker was van dit kwaad.
Doch waar de Satan zulks niet kan doen, tenzij de Heere zulks toelaat, gaat het hierbij, als in de geschiedenis van Job: God de Heere heeft zulks toegelaten, niet gewerkt. God verzoekt niemand, en Hij zelve kan niet verzocht worden. God die het volmaakte Goed is, kan niets kwaads voortbrengen. Het heilig doel en oogmerk des Heeren in zulke dingen, kan door ons nietige stervelingen niet doorgrond worden.
Maar genoeg: Joab zal het volk tellen, en de koning zal weten, welk een machtig man hij is, en over welk een groot leger van onderdanen hij te beschikken heeft.
Negen maanden en twintig dagen waren er vervlogen toen Joab met de oversten van het heir te Jeruzalem kwam, om den Koning het resultaat van zijn arbeid, en het juiste getal van het getelde volk bekend te maken. Was de koning nu gelukkig? Deed het hem goed te hooren, hoeveel duizendtallen strijdbare mannen er waren, die het zwaard uittrokken?
Het tegendeel is waar. Wat scheelde or dan aan?
Had Joab zijn werk niet goed gedaan, geloofde David het niet?
David's hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had. En door zijn eigen hart of geweten geslagen te worden is een geweldige pijn.
Nadat het kwaad is bedreven, komt het geweten aan 't woord. En gelukkig, die dan nog maar door zijn eigen hart geslagen wordt.
Dat veroorzaakt wel een geweldige smart maar ernstige krankheden zonder smart, zijn niet zelden de allergevaarlijkste.
Van menschen, die groote misdaden hebben bedreven, en er geen smart of leed over gevoelen, zegt men wel eens, ze zijn gewetenloos.
Dat is dan wel oneigelijk gesproken, want zonder geweten is niemand, maar het geweten is dan als met een brandijzer dicht geschroeid. Het is gelijk aan een klok, die stil staat. David ziet het verkeerde van zijn daad in, het doet hem leed, hij belijdt zulks en zegt: Heere! ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb, maar nu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.
David weet het, dat er voor den Heere niets verborgen is.
Hij weet ook dat zondige bedoelingen ten grondslag lagen, aan het bevel aan Joab gegeven, om het volk te tellen.
En wat gebeurt er?
De profeet Gods, die Davids Ziener genoemd wordt, ontving het bevel des Heeren, om het David te zeggen:
Drie dingen draag ik u voor, verkies u één uit die, dat Ik u doe: zal er een honger van zeven jaren in uw land komen? of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij?
Uit deze drie dingen moet de koning een keuze doen.
Is het wonder, mogen wij wel vragen, dat David zegt tot God: mij is zeer bang. Maar als dan toch de keus moet gedaan tusschen de drie genoemde oordeelen, dan toch maar liever vallen in de handen des Heeren dan in de handen van menschen, want de barmhartigheden des Heeren zijn velen.
Welk eene ellende, door ééne zonde veroorzaakt.
Maar het is zonde van een koning. Het is ambtszonde. Het is zonde, die met den naam van hoogmoed staat gebrandmerkt in de Heilige Schrift. In spreuken zes worden zeven dingen genoemd, welke den Heere een gruwel zijn, en daar is hoogmoed de allereerste van.
Trouwens wie is in staat om in alle bijzonderheden op te sommen, wat uit hoogmoed voortkomt. De gevolgen daarvan zijn onoverzienbaar.
Wat heeft een man als koning David dat gezien en gevoeld, toen hij vernam, dat er zeventig duizend menschen waren omgekomen en hij het uitjammerde voor Zijn God, toen hij zeide: Zie ik, ik heb gezondigd en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan?
Zijn hart krimpt inéén, onder het gevoel van zijn zware schuld, en van zijn groote verantwoordelijkheid. Laag voor God in 't stof gebogen, erkent hij dit met zijn gansche hart.
De man denkt er niet aan om naar verontschuldiging te zoeken. Neen, hij, en hij alleen is de schuldige, die een dwaasheid in Israël gedaan heeft. En toch, hoe diep schuldig ook voor God, toch heft hij het hoofd op uit den druk en uit zijn groote benauwdheid, en hij wendt zich tot den troon der genade, en bidt om vergeving en om genade.
Maar al vergeeft God de zonde van Zijn volk, daarmee zijn de gevolgen in dit leven niet weggenomen.
Neen, dat hebben velen met David ondervonden.
Menigeen moet zijn leven lang, daar het bittere van smaken. Bij een andere gelegenheid, dat God ook een zonde van David had vergeven, kreeg de man de boodschap, dat het zwaard van zijn huis niet zou wijken.
Hoogmoed zeiden we, was het, die David tot de zonde der volkstelling bracht. Hoogmoed was het, die onzer aller stamvader van God deed afvallen.
Gij zult als God wezen, maakte de slang in het Paradijs hem wijs. Hoogmoed openbaarde zich in Babels torenbouw.
Hoogmoed is dat afschuwelijk beginsel, dat al de eeuwen door zulke vreeselijke verwoestingen heeft aangericht.
Hoogmoed leidt tot diefstal, tot moord en tot allerlei ongerechtigheden. Hoogmoed is de zonde, waarvan niet één mensch kan zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd en ik ben rein van dit kwaad. Het vleesch onderwerpt zich der wet Gods niet. Het kan ook niet. En wie zich nu ook maar eenigszins weet te verplaatsen in den toestand en in de omstandigheden, waar David in verkeerde, toen de profeet Gods daar voor hem stond, met den lastbrief door Gods vinger geschreven, die zal verstaan hoe vreeselijk die oogenblikken voor hem zijn geweest, én toen hij antwoord moest geven, op de hem voorgedragen straffen, én toen hij weldra hoorde, hoe de Heere het volk geslagen had,
Dat de man liever in de handen des Heeren, dan in die der menschen wilde vallen, was niet omdat hij gering dacht over de slaande hand Gods, maar omdat David den Heere kende, wist hij, evenals een kind tegenover zijn vader, dat er bij den Heere vele barmhartigheden zijn.
Van menschen is in dezen niet veel te verwachten. De barmhartigheden der goddeloozen zijn wreed.
En van de vromen?
Denk eens aan de vrienden van Job. Menig kind Gods heeft in zware beproevingen bijzondere troost er uit genoten, te zien en te gelooven, dat het geen menschen zijn, die met u kunnen doen wat zij willen, maar dat het de Heere is, die over ons zal brengen, wat Hij over ons bescheiden heeft. Al liggen er dan geen bijzondere zonden aan ten grondslag, voor zoover we weten, dan weten we toch in elk geval, dat al de ellende welke ons treft gevolgen zijn van de zonde, want waren er geen zonden, dan zouden er ook geen gevolgen der zonde zijn. David zoekt in en met al zijn ellende schuilplaats bij den Heere, gelijk hij in één zijner psalmen belijdt, met te zeggen: Heere! bij U schuil ik.
En wie met al zijn zonden en ellenden zich wend tot den troon der genade, zal op Gods tijd ervaren, dat er bij den Heere uitkomsten zijn zelfs tegen den dood. Al waren dan uwe zonden rood als scharlaken, dan zal de Heere ze wit maken, als sneeuw, die versch op het aardrijk nedervalt. In Christus wil God de Heere Zijn volk in gunst aanschouwen. Van dien Christus heeft ook David zulke heerlijke dingen, door den Heiligen Geest voorspeld.
De geloovigen onder de oude bedeeling, hebben de belofte Gods in Hem gedaan, geloofd, en zij zijn in en door dat geloof gesterkt in en onder al de moeite van dit leven, en zij die alzoo hebben geloofd, zijn ingegaan in de rust, die er overblijft voor het volk van God.
Ongelukkig daarentegen de mensch, ook na ontvangen genade, die onder beproevingen en onder de kastijdende hand des Almachtigen, in tweede oorzaken zich blijft verdiepen. Dan werkt ge u hoe langer hoe dieper in den put. Zeg dan maar duizendmaal, had ik maar zoo of zoo gedaan, dan zou dit kwaad mij niet hebben getroffen.
Ik heb een man gekend, die op één dag geheel zijn bezit verloor en arm werd. Diep onder den indruk van het gebeurde, moedeloos, en bijna wanhopend liep de man langs een eenzaam pad, en daar hoort hij een jongen zingen: „'t zal hier niet altoos duren”, die jongen zong dit als een ijdel deuntje van de straat.
Maar die man, zoo zwaar beproefde hoorde die woorden: 't zal hier niet altoos duren. Er kwam voor Gods kinderen een einde aan al hun beproevingen. De man kwam tot zulk een ruimte in zijn gemoed, hij zag, dat had de Heere gedaan, en die weet wat voor de Zijnen goed is.
En zoo is het, Eenswillend met God te zijn, dat doet ons in het stof buigen voor de hooge Majesteit des Heeren.
Dan zien we de liefde Gods zelfs in Zijn kastijdende hand. Dan erkennen we de rechtvaardigheid en de heiligheid Gods. Dan kunt ge zoo gebogen zijn onder God dat ge zelfs bij het zwaarste en smartelijkste verlies, door 't geloof met een Job zegt: De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd.
Davids geschiedenis strekt ons dan ook ten voorbeeld, om niets te verwachten van menschen, maar alles en alleen van Hem, van wien Zijn volk getuigt:
Hoe donker ooit Gods weg mag wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vreezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920

De Wekker | 4 Pagina's

Vallen in de handen des Heeren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken