Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, 3a

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, 3a

7 minuten leestijd

„En zij waren beiden naakt, Adam en zijne vrouw; en zij schaamden zich niet.” Gen 2. : 25.

Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
IIIa.
„Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eere en heerlijkheid gekroond! Gij doet hem heerschen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijne voeten gezet: schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds, het gevogelte des hemels, en de visschen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorwandelt”. Zoo spreekt David in den achtsten psalm en teekent hij de heerlijkheid en de macht van den mensch. Nog na den val is dit op den mensch van toepassing, zij het ook, dat de onderwerping van het geschapene en de heerschappij er over met moeite gepaard gaat en smarten baart. Wat in den tweeden Adam, Jezus Christus, volkomen zal zijn (Hebr. 2), was den eersten toegezegd (Gen. 1 : 28).
De macht, waarmede God ons bekleedde, was koningsheerlijkheid. En bij de koningsheerlijkheid behoort eene koninklijke woonplaats. Ook die gaf de Heere! Hij schonk ons den hof van Eden, het paradijs, een lusthof, waarvan wij wel zeggen mogen, dat hij in schoonheid verre overtrof, wat wij ons in de natuur grootsch en heerlijk kunnen denken! Wat aan harmonie van lijn en kleur en klank bekoren kon, was daar! Geen wanklank deed het oor afwenden, geen schrijnend contrast het oog sluiten, geene onaangenaamheid deed de ziel als in smarttrilling zich terugtrekken.
Doch grooter is de heerlijkheid des menschen, dan dat zij alleen bestaan zou in de macht, hem verleend, en de volmaakte schoonheid, waarin hij verkeert, die tot hem komt en hem streelt.
De heerlijkheid des menschen vinden wij geteekend in het woord: „En zij waren beiden naakt, Adam en zijne vrouw; en zij schaamden zich niet.” Hier, in dit woord, gaat het niet over wat hij heeft, wat hem omringt en dus ook ten dienste staat, maar over hetgeen hij is.
Eigenaardig, over 's menschen verhouding tegenover God wordt niet gesproken, over den staat zijner ziel schijnbaar niet gerept. Hunne lichamen waren naakt, van beiden. Mogelijk zullen er gevonden worden, die eigenlijk iets anders over de heerlijkheid des menschen in den staat der rechtheid hadden willen lezen, dan de beschrijving, door God van die heerlijkheid gegeven. Zou het hiervan komen, dat wij wat teveel gewoon zijn lichaam en ziel, niet te onderscheiden, maar te scheiden? Dat wij dikwijls meer denken en spreken over een stoffelijken en een geestelijken mensch, in plaats dat wij in het oog vatten den mensch, gelijk hij bestaat uit ziel en lichaam? Vergeten wij het nooit: ons lichaam behoort evengoed tot ons menschzijn als onze ziel. Het lichaam is evengoed als onze ziel een integreerend (onafscheidelijk) deel van ons als mensch. En zouden wij aan onze ziel een zelfstandig bestaan kunnen toedenken — denkt aan de z.g.n. aflijvige ziel in den tijd tusschen sterven en opstanding!—, wordt het lichaam der ontbinding prijsgegeven, zoo spoedig de ziel het verlaat, toch is niet de mensch ziel en hij is geen lichaam, maar lichaam en ziel in de voor ons onverklaarbare vereeniging van beide. Die eenheid leert de Schrift en op grond daarvan spreekt ook de Heidelberger, in het antwoord op de eerste vraag, van den troost, dat de geloovige met lichaam en ziel het eigendom is zijns Heilands. Niet het lichaam alleen of de ziel alleen, maar de mensch moet verlost worden, gelijk ook niet de ziel alleen of het lichaam alleen, maar de mensch is gevallen, en niet de ziel of niet het lichaam, maar de mensch stond in den staat der rechtheid.
Daarbij is het verband van ziel en lichaam veel nauwer, dan het gebruik van sommige beelden ons zou doen denken. Het lijkt er niet naar, dat de ziel zou zijn de vogel en het lichaam de kooi. Wat heeft een vogel met de kooi te doen? Wij houden den vogel er in gevangen, dat is waar, doch goed beschouwd, behoort de vogel niet in de kooi. De ziel evenwel heeft hare eigenlijke plaats in het lichaam, is alleen met het lichaam volmaakt in haar element. Dit geeft aan het geloofsartikel „de wederopstanding des vleesches” een zijner grootste bekoorlijkheden.
Als de Apostel het lichaam noemt „ons aardsche huis dezes tabernakels”, dan mogen wij daarin geen geringschatting des lichaams lezen. Om der zonde wil kan dit lichaam niet zijn de blijvende woonstede, het is aan allerlei gebreken onderhevig, daarom: aardsch, het aardsche huis dezes tabernakels, de tent, slechts voor het tijdelijke aardsche leven. En toch, wat is „het huis, niet met handen gemaakt,” dus het onvergankelijke, anders dan datzelfde lichaam, als een tarwegraan in de aarde gelegd en gestorven, om verheerlijkt op te staan? Datzelfde lichaam, maar verheerlijkt, onsterfelijk, onverderfelijk! Neen, het is de bedoeling des Apostels niet, om het lichaam des menschen maar te noemen een huis, waarvan de bewoonster de ziel is, terwijl tusschen bewoonster en huis geen ander verband zou bestaan, dan alleen dat van bewoning. Wanneer ge eens naleest, wat de Apostel op andere plaatsen van het lichaam zegt, hoe hij dat lichaam ook beschouwt als gekocht door het dierbaar bloed van Christus, dan verstaat ge, dat ge in 2 Cor. 5 niet te doen hebt met eene overgeestelijke verachting van het lichaam, maar dat de apostel het beeld van het huis ook als beeld bedoelt, zoodat het altijd „in zekeren zin”, niet geheel als zoodanig opgaat. (1 Cor. 6 : 15, 20; Fil. 3 : 21; 1 Thess. 5 : 23)
Het lichaam is meer dan het huis; het is orgaan der ziel, waardoor deze zich openbaart. Hoe zal ik weten, wat in uwe ziel is, als het zich niet openbaart door het lichaam? Wat mijne ziel denkt, moet ik met de spraakorganen des lichaams zeggen of met de hand schrijven of door gebaren des lichaams uitdrukken, anders blijft het verborgen. En dan spreekt de ziel in woorden, in den handdruk, in het fronsen van het voorhoofd, in de schittering van het oog; het gelaat, inzonderheid de oogen zijn de spiegel der ziel. En zoo drukt in de houding des lichaams, in de trekken van het gelaat, de gesteldheid van ons innerlijk leven zich af. De onzichtbare ziel wordt gekend uit het zichtbare lichaam. Zeker, vele menschen hebben het ver gebracht in het verbergen van de bewegingen van hun zieleleven. Zij kunnen zich beheerschen. Of het altijd eene deugd is? Of niet dikwijls juist daaruit blijkt, hoe ver zij verwijderd zijn van den oorspronkelijken staat? We leven in een wereld van comedie, onder een menschheid van hypocritisme (tentopvoering van huichelarij). Men moet zijne smart niet toonen, zijne blijdschap niet openbaren! Verberg u, opdat de menschen niet weten, wat er in u omgaat! En zoover hebben sommigen het in deze kunst (?) gebracht, dat zij zichzelven behuichelen en het niet eens meer weten. Zoek dit niet alleen in de wereld van geraffineerde (verfijnde) tooneelspeelkunst; zoek het ook in de wereld van godsdienstigheid!
Maar aldus was het in den staat der rechtheid niet. Toen drukte het lichaam volkomen, juist geaccentueerd (met den juisten nadruk), met in alle deelen sprekende lijnen uit, wat leefde in de ziel.
Als wij dat in het oog houden, dan gevoelen wij, dat in Gen. 2 : 25 niet maar iets uiterlijks wordt vermeld, iets oppervlakkigs wordt gezegd, maar dat in dit woord wel degelijk ligt de teekening van de heerlijkheid des menschen, gelijk God hem schiep in den staat der rechtheid.
F. Lengkeek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 23 September 1921

De Wekker | 4 Pagina's

Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, 3a

Bekijk de hele uitgave van Friday 23 September 1921

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken