Bekijk het origineel

Onze Kerkregeering - Art. 25 D. K. O. Der diakenen ambt - II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Kerkregeering - Art. 25 D. K. O. Der diakenen ambt - II

5 minuten leestijd

Zoo moeten dus de diakenen door goede middelen verzamelen, wat noodig is tot steun. Uitgesloten zijn dus die middelen die niet goed zijn.
Hieronder zouden wij rekenen:
1. Dat de diakenen van de leden der gemeente een hoofdelijken omslag heffen. De Staat kan belasting heffen, zelfs eene armenbelasting, omdat zijn armenzorg geen werk der liefde en barmhartigheid, maar een maatregel van onderhoud is. De Staat zorgt voor onderhoud van hare beambten, van militairen, werkloozen en ook voor armen, die buiten de kerk leven. Dit is regeerbeleid en daartoe kan de Staat belasting heffen. Het beginsel der diaconie is echter barmhartigheid, is olie en wijn in de wonden van den ellendige en daarom moet de Kerk dezen dienst der barmhartigheid uit liefdegaven onderhouden, De armverzorging komt op uit de liefde tot de arme leden van Christus on moet dus ook bestaan in het betoonen van liefde aan de ellendigen, Van dwang tot betaling van lasten mag hier geen sprake zijn.
2. Uit dit zelfde beginsel vloeit ook voort, dat tot de verkeerde middelen behoort de straat- of deurcollecte langs de huizen der plaatsgenooten. Vele kerken, vooral in de steden houden deze collecten, en vragen al bedelend langs de huizen de gaven van menschen van alle gezindten. De Heere echter, heeft de onderhouding van de arme leden Zijner kerk niet toebetrouwd aan de algemeene liefdadigheid, maar aan de liefde Zijner gemeente. De armen zijn de nalatenschap van Christus aan Zijne gemeente. En mag nu die gemeente deze liefdeplicht afwentelen op de schouders van het algemeen, zelfs op de schouders van hen, die nu ja, wel van filanthropie, maar niet van de barmhartigheid van de kerk des Heeren willen weten? Neen, nooit mogen diaken zich verlagen tot zulk een bedeltocht. Dan liever eene extra collecte in de gemeente, dan de nalatenschap van Christus te onderhouden door de algemeene filanthropie. Niet de burgerij, maar de kerk ontving hen als armen van Christus' gemeente.
Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat diakenen alleen giften uit de gemeente mogen aanvaarden. Is iemand, die niet tot de gemeente behoort, uit welk oogmerk ook, gedrongen iets voor de armen te geven, b.v. uit sympathie voor den leeraar of voor een arm lid, of uit achting voor een diaken, dan mag de diaconie wel zulk een gave aannemen, daar het vrijwillig wordt aangeboden.
3. Ook daarom mag de diaconie geen staatssubsidie aanvaarden voor de armen. Zelfs al zou hieruit niet eenige verplichting aan de Overheid uit voortvloeien, dan zou het eene miskenning zijn van Christus' zorg voor Zijne armen. Te meer echter mag dit niet, omdat het de gemeente afhankelijk maakt van den Staat. Volgens Art. 14 der Armenwet toch is geene Staatssubsidie mogelijk, of de diaconie moet aantoonen, dat de verzorging van en het toezicht op de armen doeltreffend is, dat volgens de rekening en verantwoording van het vorig jaar subsidie noodzakelijk is, dat eerst in eigen kring gedaan is, wat mogelijk was, enz. Hieruit blijkt, dat staatssubsidie de diakenen verantwoordelijk maakt aan den staat, terwijl volgens de D.K.O. de diakenen alleen aan den kerkeraad en de gemeente verantwoording schuldig zijn.
4. Ook is te verwerpen, dat diakenen aanvaarden gelden, verkregen door concerten, tooneelvoorstellingen, zanguitvoeringen, bazaars, en al datgene, wat tot de rubriek „wereldsche instellingen” behoort, 't Is in onzen tijd gewoonte geworden bij velen om zulke bazaars enz. met een christelijk vernisje op te sieren, terwijl tegelijk op de zondige speculatiezucht wordt gewerkt door loterij in bedekten vorm. Zulke opbrengsten mogen diakenen voor de armen des Heeren niet aanvaarden, en nog veel minder oneerlijk verkregen geld. Op dit laatste maakt Ds. J. Koelman, pag. 372 van zijn „ambt en plichten van oud. en diakenen,” de volgende uitzondering: „Diakenen mogen wel aannemen gaven, van welke zij vermoeden, dat zij kwalijk verkregen zijn, indien de gevers berouw toonen en niet weten, aan wie zij het moeten herstellen”.
Ten slotte behoort tot het „naastiglijk verzamelen” ook eene goede administratie. Daartoe behoort, dat de inkomsten voor armen en kerk gescheiden blijven en nauwkeurig geboekt worden, en de tekorten voor de ééne kas niet uit de andere gedekt worden. Is er weinig noodig voor de armen en veel voor de kerk, men deele het mee aan de gemeente, opdat deze daarnaar hare gaven meedeele. Zijn er geen armen, dan kunnen tijdelijk de armencollecten verminderd worden, maar men schaffe ze niet geheel af. Bij de administratie is noodig, dat er dubbel boek gehouden worde. Bij opmaken der boeken aan 't eind des jaars, kunnen beide boeken dan vergeleken worden. Ook de gelden moeten zoo bewaard, dat er geen wantrouwen kan ontstaan of ontvreemding kan plaats hebben. Bij de kerkvisitatie wordt nadrukkelijk hiernaar gevraagd.

Apeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923

De Wekker | 4 Pagina's

Onze Kerkregeering - Art. 25 D. K. O. Der diakenen ambt - II

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken