Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Brieven des Heilands aan de zeven Gemeenten van Klein-Azië (V)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Brieven des Heilands aan de zeven Gemeenten van Klein-Azië (V)

De Brief aan Efeze (4)

10 minuten leestijd

Oponb. 2:1—7.

Ieder, voor wien „ik geloof in de gemeenschap der heiligen” niet maar is een geloofsartikel zonder meer, en die waarlijk heeft leeren bidden „Uw Koninkrijk kome”, zal verstaan, hoe ernstig de dreiging des Heeren is, dat de kandelaar van zijne plaats zal worden geweerd. Voorwaar, zij moest én den Engel èn de gemeente van Efeze wel aanzetten tot het „bedenken, het bekeeren, en het doen van de eerste werken”. En zij mag ook ons wel treffen, zoodat wij haar ter harte nemen, opdat er niet slechts zij een staan naar de zuiverheid alleen in alle opzichten, maar inzonderheid een onderzoek des harten voor het aangezicht des Heeren, of wij wei staan in en leven uit de liefde. Wordt de belijdenis van een Petrus in ons gevonden: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods!” — zonder die andere belijdenis van denzelfden Apostel: „Heere, Gij weet alle dingen; Gij weet, dat ik U liefheb!” zal het niet kunnen, niet goed zijn. Niet wij moeten ons verbeelden, dat wij den Heere liefhebben, omdat wij zoo getrouw en zoo ijverig zijn, de Heere moet het weten. En Hij weet het, Hij, die harten en nieren proeft, als wij mogelijk wel een hart hebben voor Zijn Woord en Zijn dienst, doch in ons hart eigenlijk geen plaats is voor Hem. Hebben wij wel tijd om aan Zijne voeten te zitten? Hebben wij wel behoefte, om met Hem te verkeeren? Klopt ons hart wel alleen voor Zijne liefde en eere? Ieder kind des Heeren bedenke het ernstig, dat het verlaten der eerste liefde niet anders met zich brengen kan dan verachtering in de genade, dan armoede voor de ziel.
Gelijk gezegd, is de dreiging, hoe sterk zij ook luidt, vriendelijk vermanend en opwekkend; het gaat om Efeze’s behoud.
Daarom geen terugtrekken des Heilands, en als eene bemoediging klinkt het, wat de Heiland volgen laat.
„Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaïeten haat, welke Ik ook haat.”
„De werken der Nicolaïeten”. In hoofdzaak zijn er twee meeningen over den naam Nicolaïeten. De eerste is, dat aan Nicolaus, den diaken, van wien gesproken wordt in Hand. 5:6, de naam ontleend is. Hij zeil of zijne volgelingen zouden dan den weg der zonde gekozen hebben. De tweede meening is, dat de naam Nicolaīeten aan de secte of groep gegeven is zonder eenig verband met een zekeren Nicolaus. Men wil in den naam dan iets symbolisch zien. Men stelt hem dan gelijk (Nicolaus beteekent. volksoverwinnaar) met dien van Balaäm of Bileam = volksverslinder of -verderver. De naam zou dan slechts de aanduiding zijn van het heillooze streven dier menschen, de vernietiging van het zedelijk-godsdienstige.
Wij kunnen het niet uitmaken, maar gevoelen het meest voor de eerste meening, al kunnen wij niet beslissen of de fout bij Nicolaus zelf, dan wel bij zijne volgelingen moet worden gezocht. Men verhaalt, dat Nicolaus bij het spreken over het „dooden” van het vleesch een woord gebezigd heeft, dat ook „misbruiken” kan beteekenen. Hij of zijne volgelingen zouden nu daarop eene leer en practijk gebouwd hebben, waarin door het vleesch te misbruiken dat vleesch zou worden gedood. Hoe meer misbruik, hoe spoediger het vleesch zijne kracht zou verloren hebben. Door de zonde te dienen meende men dus den prikkel der zonde af te stompen en te verderven, en alzoo den geest te bevrijden. Alsof ooit de zonde kan worden gediend afzonderlijk door het vleesch, alsof niet altijd de zonde den geest bevlekt, medesleept en verderft!
Die practijk — het was in Efeze bij de Nicolaïeten niet bij de theorie gebleven ; de Heiland spreekt van hunne werken — die practijk is geheel in strijd met den heiligen eisch des Heeren: Weest heilig, want Ik ben heilig ! De Nicolaïeten gingen daartegen in.
En nu prijst de Heere Efeze’s gemeente, dat zij de werken der Nicolaïeten haat. Ook de Heere haat ze en moet ze haten krachtens Zijn wezen.
Daar was bij de Nicolaïeten eene doorvloeiing, waardoor het doel der dooding des vleesches, het leven des geestes werd gemist. Hoe verschrikkelijk! Geheel het genadewerk Gods in den mensch is er op gericht, de deur voor de zonde te sluiten; de Nicolaïeten zetten die deur juist geheel open.
En de Heere prijst het heilig houden van den levensweg, niet alleen gemeentelijk, ook persoonlijk.
„Die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.”
Aan het hooren, d.i. het verstaan en daarnaar doen, van hetgeen de Geest tot de gemeenten zegt, is rijke vrucht verbonden. Het niet hooren doet voortgaan in denzelfden weg, leidt tot het weren van den kandelaar. Het niet hooren van den geloovige doet hem in de duisternis gaan en in armoede en gebrek. Het niet hooren van den ongeloovige doet hem volharden op den weg, dien hij volgt, welke is de weg van den eeuwigen dood, de weg van eeuwig hongeren en dorsten, zonder dat ooit maar eene enkele verkwikking hem den honger zal doen vergeten of zijne tong zal verfrisschen.
Wie echter hoort, wat de Geest tot de gemeenten zegt, wordt genoemd een overwinnaar, wij weten, wie de vijanden zijn, onder wier gedurige aanvallen het volk des Heeren leeft, en die het er op toeleggen, dat het „verlaten zal zijn eerste liefde”. Het zijn de vijanden Gods en van den Christus, de tegenstanders des Heiligen Geestes, de satan, de wereld en het eigen vleesch en bloed. Zoolang de uitverkorene nog leeft in den geestelijken doodstaat, weerstaan zij den invloed van de roeping des Heeren, opdat er niet kome eene waarachtige bekeering tot den Heere. En als het den souvereinen God behaagd heeft Zijn gekenden van voor de grondlegging der wereld over te brengen uit den staat des doods in dien des levens, dan spannen zij alle krachten in om dat leven te dooden. Dat doel bereiken zij niet, kunnen zij niet bereiken, maar wel bereiken zij dikwerf veel, gelijk dat ook in Efeze het geval was. Daartegen moet gestreden worden. De begenadigde kenne zijn volstrekte afhankelijkheid van den Heere, doch make er nimmer een oorkussen van, om er op in te sluimeren. Doet hij dit laatste, dan geeft hij zichzelf den vijanden over, en het moge wezen, dat hij heel vroom wete te spreken, maar zijn leven zal de levendigheid moeten misser, hij zal niet verstaan wat het zegt „Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.” De oefening des geloofs vindt plaats in den strijd. Waar het rechte afhankelijksheidsbewustzijn gevonden wordt, daar wordt het meest de roeping verstaan, en ondervonden, dat wij door de geloofsvereeniging met Christus, die tegelijk eene liefdesvereeniging met Hem is, meer dan overwinnaars zijn. Geen overwinnen in het leven des Christens dan juist in den weg van bedenken en bekeeren en die weg is een weg van telkens wederom God ontmoeten, van telkens wederom bekennen, dat onze zaligheid in den Christus ligt. Die weg is de weg des gebeds. Vluchtende tot God en Christus overwinnen we den vijand.
Als loon der overwinning noemt de Heiland het eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.
Bij dit woord denken wij aan het aardsche paradijs. Daarin waren twee bijzondere boomen, de boom der kennis des goeds en des kwaads en de boom des levens. In het paradijs Gods, den hemel, is slechts de eene boom des tevens. Een boom der-kennis des goeds en des kwaads is daar niet. Zij, wien het uit genade gegeven wordt, dat paradijs binnen te treden, staan in andere verhouding tot God dan de mensch in den staat der rechtheid. Deze stond als valbaar in het verbond der werken met God, en de boom der kennis des goeds en des kwaads was daar door God gesteld om er. den mensch aan te beproeven. Het zijn van dien boom bewees, dat de mensch in den staat der rechtheid nog niet zijn doel bereikt had. In den hemel echter geen werkverbond, geen valbare menschen, geen beproeving of verzoeking meer. De gehoorzaamheid Gode is volkomen betoond door den tweeden Adam, die voor allen, wien het eeuwige leven bereid is, alle verzoeking heeft doorstaan, alle verleiding overwonnen. Geen proefboom en proefgebod meer; in Hem zijn zij volmaakt. Wat langs den weg des rechts door den mensch niet verkregen kon worden, is zijn deel door de genade, die in Christus Jezus is.
Geen boom der kennis des goeds en des kwaads; wel een boom des levens. Die in het-aarsche paradijs had de kracht van staatsbestendiging, d.i. wanneer de mensch van dien boom at, werd zijn staat er door bevestigd. Daarom wordt den mensch na den val de toegang tot het paradijs afgesneden. De boom des levens in het paradijs Gods — men bedenke, dat in aardsche beelden en vormen het hemelleven meestal beschreven wordt in de Schrift — heeft dezelfde taak. Gelijk het eten het lichamelijk leven onderhoudt, zoo wordt nu van dien boom gesproken als onderhoudende den zaligen, verheerlijkten staat van Gods kinderen. Reeds hier op aarde wordt wel een enkele vrucht daarvan gesmaakt. Hij, aan wien Christus den prijs der overwinning zal schenken, zal tot in eeuwigheid met die vrucht verzadigd worden. In het laafste hoofdstuk van Openbaringen wordt deze boom nog eenmaal genoemd en er bij gezegd, dat bij is op de eene en op de andere zijde der rivier van het water des levens, voortkomende uit den troon Gods en des Lam. (Denk hier aan het beeld van Psalm 1 en Jerem 17, en aan de wateren van Ezech. 47.) Twaalf vruchten brengt deze boom voort, van maand tot maand. Niet eenmaal per jaar of in een zekere tijdsruimte, maar altijd, altijd vruchtdragend is die boom. Het is de boom van het welbehagen Gods, met genade en eere en heerlijkheid eeuwiglijk voedende en bevestigende degenen, aan wie de Heere Zijne genade verheerlijkt heeft.
Zalig de mensch, die hoort, wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Zalig de mensch, die den strijd kent en in Christus voert.
Zalig, „want verzadiging van vreugde is bij Gods aangezicht, eeuwiglijk en altoos.”
Er is geen Efeze meer onder de gemeenten des Heeren.
Maar zouden er geen Efeziërs heden genieten van den boom des levens?
Dat kunnen wij niet denken.
Maar die het doen, doen het in eeuwige eerste liefde voor Gods aangezicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924

De Wekker | 4 Pagina's

De Brieven des Heilands aan de zeven Gemeenten van Klein-Azië (V)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken