Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gebedsverhooring 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gebedsverhooring 2

8 minuten leestijd

„Elia was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en hij bad een gebed, dat het niet zoude regenen, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden, en hij bad wederom, en de hemel gaf regen en de aarde bracht hare vrucht voort. Jac. 5 : 17, 18.

Verzoekt de Heere niemand ten kwade, Zijne kinderen worden menigmaal, naar Zijne wijsheid, door Hem beproefd. Dit geschied! niet uit lust tot plagen of bedroeven — hoe zouden wij zoo iets in den Heere durven denken! —, ook niet uit een zekere willekeur, zoodat er eigenlijk geen andere reden toe zoude zijn dan de wil des Heeren. Wanneer de Heere de Zijnen heproefd, geschiedt dit naar Zijn welbehagen en dat welbehagen kan, naar het wezen Gods, niet anders ten doel hebben dan de verheerlijking des Heeren in het welzijn der Zijnen. En niet in de eerste plaats om 's Heeren wil wordt de geloovige beproefd maar om zijnentwil, opdat hij geoefend worde en door die oefening te meer versta, in de practijk des levens, zich in den weg des geloofs geheel als offer te stellen tegenover den Heere, zichzetven te verloochenen, te verliezen, opdat, niet slechts voorwerpelijk doch ook onderwerpelijk, alle roem uitgesloten zij. Zelfs ons geloof, zelfs ons gebed moet het niet doen ! Alleen de Heere! En hoewel Gods kinderen heel goed weten, dat dit zoo is, hebben zij er toch de grootste behoefte aan het telkens en telkens weer te leeren. Hoever ook gevorderd op den weg der zaligheid, toch blijft dit onderwijs noodzakelijk. Ook in dit opzicht ontvangen wij hier geen „loffelijk ontslag,” zelfs niet, al zou de profetenmantel onze schouderen dekken.
Elia's geloof werd wél beproefd!
Als bet volk zich heeft uitgesproken op den Karmel en de profeten van Baäl zijn gedood, spreekt Elia het geloofswoord tot Achab: „Trek op. eet en drink, want er is een geruisch eens overvloedigen regens”. Hoewel de hemel zich nog als een koperen koepel welft over de uitgedroogde aarde en het oog niets speurt van eenige verandering in de gesteldheid der lucht, hoort Elia reeds het ruischen van den regen. Het is de krachtige toepassing van het geloof in de belofte van Hem, die niet liegen kan. „God is geen man, dat Hij liegen zoude, noch eens menschen kind, dat het Hem berouwen zoude; zoude Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken?” Laat alles hetzelfde schijnen te blijven, dus tegen zijn, maar Elia gelooft en in dat geloof hoort hij, door de werking des Geestes Gods, de verhooring van zijn gebed; de vervulling der belofte zal niet falen. Daar is in zijne ziel een onbegrensd vertrouwen op de trouw van Jehovah.
Gelijk wij vorige week zeiden, maakt zulk een vertrouwen evenwel niet werkeloos. Het verstaat dat de Heere ook wat betreft de vervulling Zijner toezeggingen, van den huize Israëls er om verzocht wil wezen.
Terwijl Achab, de zelfzuchtige, henengaat om te eten en te drinken, geene behoefte gevoelt om zich te vernederen voor den Heere, geen drang kent om het volk op te wekken tot schuldbelijdenis en gebed, zondert Elia zich af. Hij gaat hoog op den berg, in de eenzaamheid.
Daar werpt hij zich neder! Tegenover de Baälspriesters heeft hij gestaan, een man, in de kracht zijns Gods. Achab heeft hij, frank en vrij, in het aangezicht gezien, — voor den Heere werpt hij zich ter aarde. Neen hij gevoelt het, hij is het niet waardig, het hoofd op te heffen. Gekromd ligt hij daar, met het aangezicht tusschen de knieën. Hij ligt daar, als ware hij de schuldige, als moest hij in zijn persoon dragen de kastijding des Heeren over zijns volks zonden en ongerechtigheden.
Aandoenlijk gezicht! Trekt de schoenen van uwe voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilig land! Gebogen is de heldengestalte, als gebroken de man van kracht, de profeet van vuur. Hier wordt geworsteld met God, hier wordt de Heere aangegrepen, gelijk eenmaal door een Jacob aan den Jabbok met een „ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent !” Gods ontferming en genade wordt ingeroepen over een schulding volk. Geen recht kan worden geëischt, alleen genade, ootmoedig afgesmeekt. Zou God, de rechtvaardige Rechter, doen met het volk naar waardigheid en verdienste, Hij zou niet in zegening, maar in vloek tot het volk moeten komen. Ach, wat beteekende de belijdenis op den Karmel: „De Heere is God!” daar straks uitgesproken? Was het eene schuldbelijdenis? Was het eene smeekbede om genade van een volk, dat zijne ellende zag? Kan Elia, op grond van des volks roepen, gelooven aan eene waarachtige bekeering, een wederkeer tot den Heere? Elia moet het gevoeld hebben en de Heere, de Kenner der harten, de Proever der nieren, weet het, dat over het geheel genomen, die belijdenis slechts vrucht was van eene oogenblikkelijke opwelling; dat straks het volk weer terug zal gaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijn koopmanschap en — afgoderij. Louter genade zal het zijn, als de Heere Zijne belofte vervult en Elia's smeeking hoort.
Wat zal zeggen, welke gedachten zich aan Elia hebben opgedrongen, terwijl hij daar lag; welke bestrijdingen hem hebben besprongen!
Maar, hij mag vasthouden, volharden! Het oor des geloofs hoort het ruischen eens overvloedigen regens en het gebed des geloofs worstelt er om.
Doch de hemel blijft zich welven als een koperen koepel! Ziet gij niet, Elia! dat de Heere niet helpt; dat Zijne barmhartigheden door Zijn gramschap zijn afgesneden ?
Neen, toch — de Heere is de Getrouwe!
Elia spreekt tot zijn jongen dat hij zal opgaan en uitzien naar de zee; van het Westen wordt de regen verwacht. Maar de jongen keert terug en zegt: „Daar is niets!” Geen enkel hoopgevend teeken!
Wederom zendt Elia zijnen jongen naar de zee, en wederom werpt Elia zich ter aarde. En wederom keert de jongen met de boodschap: Er is niets!
Ten derden male gaat de jongen uit en bidt de profeet. Nog geen teeken!
En zoo gaat het tot zes malen toe en telkens klinkt het teleurstellende woord: Daar is niets!
Stellen wij ons in Elia's plaats! Hoe velen onzer hadden het opgegeven! Hoevelen hadden, reeds na eene enkele poging den moed laten zinken! Ach, wij worden zoo spoedig het bidden moede! Ongeduldige en, eigenlijk ook, heerschzuchtige menschen, die wij zijn, stellen wij ons op het standpunt, dat de Heere hooren moet, spoedig hooren moet. Wij kunnen het niet hebben, dat wij niet dadelijk verhooring vinden. Spreekt daar niet uit, dat wij het toch wel buiten den Heere kunnen stellen; dat de verhooring van ons gebed eigenlijk geene noodzakelijkheid is voor ons ? Getuigt dit niet tegen ons en tegen ons bidden als een bidden, niet uit het geloof, een bidden, niet door den Geest Gods gewerkt ?
Maar Elia blijft bidden!
Niet slechts het gebed op zichzelf is vrucht van de werking des Geestes, ook het volharden er in wordt door den Heiligen Geest gekerkt. Dat volharden is van het geloofsgebed een der kenmerken. Er ligt dan een heilig moeten aan ten grondslag, dat niet wijkt, hoeveel er tegen opkome.
In de ons, zeker allen, bekende „Christenreize naar de eeuwigheid” van John Bunyan wordt verhaald, dat Christen in het huis van Uitlegger bij een vuur gebracht wordt, waarin door een der bedienden onophoudelijk water wordt geworpen, blijkbaar met het doel, om het vuur te blusschen. Toch wordt het vuur niet gebluscht. Op de vraag van Christen, hoe dit mogelijk is, wordt hij door Uitlegger in een achterliggend vertrek gevoerd. Daar wordt het raadsel opgelost. In den muur achter het vuur is eene opening en door die opening giet een andere bediende voortdurend olie.
Alzoo is het ook bij het ware gebed, voortvloeiende uit de oprechte behoefte, door den Geest gewerkt.
Dat de Heere niet dadelijk antwoordt, om daarmede èn Elia èn het volk te leeren, hoe verschrikkelijk het zijnen weg verdorven heeft, wordt door den satan en ons eigen zondige hart als wapen gebruikt tegen het vertrouwen des geloofs, de volharding in het gebed, — het water in het vuur!
Maar de Heilige Geest onderhoudt dat vertrouwen, dat volharden en hoe ook bestreden, het kan niet ondergaan, — de olie!
Zoo bij Elia! Hij was bidder bij de gratie Gods! Geen ongeduld, geen wanhoop! Des Heeren sterkte heeft hij aangegrepen en hij houdt die vast. Is het dan, dat ook na zesmaal bidden de verhooring niet gekomen is, dan voor de zevende maal zich uitgestrekt op den aardbodem; voor de zevende maal het aangezicht tusschen de knieën begraven voor de zevende maal de ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren!
Zijn Jericho's muren niet gevallen na den zevenden omgang op den zevenden dag?
F. Lengkeek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1925

De Wekker | 4 Pagina's

Gebedsverhooring 2

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1925

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken