Bekijk het origineel

Bij de Kribbe

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bij de Kribbe

8 minuten leestijd

„God is geopenbaard in het vleesch. I Tim. 3 : 16.

Trek de schoenen van de voeten, gij, die Bethlehems stal binnentreedt en uwe schreden richt naar de kribbe, waarin Maria haren eerstgeboren zoon heeft neergevlijd; de plaats, waarop gij gaat, is heilig land!
Buig u neder, vol eerbied en ontzag, gij, die uw oog vestigt op dat Kindeke! Meer dan David, meer dan Salomo is hier al ontbreekt het overwinnend zwaard en de schepter van den koning des vredes; — Hij, die hier ligt is de Koning Israëls, meer, Hij is God, geopenbaard in het vleesch.
Neen, uiterlijk is dat niet aan Hem te zien. Geen aureool, lichtkrans omgeeft in cirkellijn of uitgaande stralen Zijn hoofd. Wat uw oog ziet, is een eenvoudig, gewoon Kind, dat evenals andere pasgeboren kinderen geen behoefte heeft dan aan warmte, voedsel en slaap. Geen natuurlijk mensch, die iets als boven-natuurlijks in dat Kindeke ontdekt. En toch — Het is God, geopenbaard in het vleesch. Maria en Jozef, onderricht door den Heiligen Geest, weten het, dat Kindeke is het Heilige, de Zoon des Allerboogsten. Herders, Simeon, Anna, de Wijzen uit het Oosten, zullen Het kennen als den Christus, de Zaligheid Gods, en het aanbidden, omdat zij dieper inblikken in Zijn wezen door den Geest, die de diepten Gods doet kennen. Voor den gewonen mensch niet anders dan een gewoon kindeke; wat wonders zou er zijn in Bethlehems stal ?
Er zijn voor den gewonen, natuurlijken mensch zoo weinig wonderen. Alleen wat buitengewoon is, ziet hij zoo, zoolang het buitengewoon is; straks daalt het tot den kring van het gewone en het wonderbaarlijke is geen wonder meer. Ook dit is een van de vruchten der in alle opzichten verarmende zonde. Midden in de wonderen leven wij; wij zijn zelf wonderen; wij zien het niet meer. Daarom is ons leven zoo arm aan bewondering. Dat was vóór de zonde anders. Toen geen gewennen aan het telkens wederkeerende, doch een voortdurend herhaald en versterkt bewonderen der werken Gods en van God. En nu, als daar een kind geboren wordt, dat zelf een wonder is en langs den weg van wonderen ter wereld komt, dan is dat eene natuurlijke zaak! Toch spreekt elke geboorte onder ons van Hem, die de Schepper en Onderhouder is van al wat leeft en adem heeft, den God des levens, des levens, het wonder. Zoo is er wat wonders in Bethlehems stal, al ware het alleen, dat daar een Kindeke geboren is. Maar dit is het eenige niet!
Er is hier grooter wonder dan het wonder van Gods voorzienigheid. Niet volgens de wet in die voorzienigheid ter vermenigvuldiging en instandhouding van het menschelijk geslacht, is dit Kindeke geboren. Zijne vorming in „de onderste deelen der aarde” (Ps. 139 : 15) is niet de vrucht van menschelijke samenleving, doch van (lees wat Maria geboodschapt werd door Gabriēl) de overschaduwing des Heiligen Geestes. Hier eene geboorte zonder den man, de eenige, die er geweest is en die ook altijd eenig zal zijn. Heilige zaak! Heilig in het natuurlijke leven en daarom zoo bemorst en beduimeld, naar beneden gehaald door de onreine klauwen der zonde! Heilige zaak, inzonderheid hier.
Laat ons niet trachten het wonder te begrijpen; als zoodanig ontglipt het ons. Natuurlijk en toch bovennatuurlijk is de geboorte van den Heere Jezus Christus, teekenend Hem, die is de Immanuël, de God met ons, de God in ons.
Hij, die daar ligt in Bethlehems kribbe is God, te prijzen tot in eeuwigheid, vleesch geworden, het Kind, ons geboren, de Zoon ons gegeven. Naar Zijne goddelijke natuur is Hij eenswezens met den Vader en den Heiligen Geest, eeuwig, onveranderlijk. Naar Zijne menscbelijke natuur is Hij waarlijk mensch. De verborgenheid der vereeniging dier beide naturen in de eenigheid Zijns Persoons is door ons niet te verklaren. Gelukkig, dat behoeft ook niet. Laat de z. g. n. wetenschap zich hier stooten en ergeren als zij wil begrijpen, wat goddelijk is; de wetenschap des geloofs richt zich ook naar het verstaan der dingen, doch weet hare gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus, waaronder ook behoort het onbegrepene Gods geloovig te aanvaarden, wetende, dat eens haar tijd komt, waarin de geloovige God kennen zal, gelijk hij gekend is en wordt. Bethlehems kribbe is er niet om onze wetenschap te dienen, maar opdat wij Hem zouden aanbidden, die in die kribbe ligt.
God is geopenbaard in het vleesch!
Wonder van goddelijke werkzaamheid, wonder van genade!
Welk eene sprake, die uit Bethlehems stal uitgaat, om gehoord te worden tot aan de einden der aarde, om door te dringen van volk tot volk, van geslacht tot geslacht!
Eene sprake van ontferming, van genade!
Al de heerlijke beloften onder den ouden dag, door den Heere aan Zijn arm en ellendig volk gegeven, herhalen zich hier.
Al de profetieën, van de moederbelofte af, krijgen hier eene bijzondere beteekenis en kracht.
In de kribbe ligt het Zaad der vrouw, het Zaad Abrahams, de Silo, van wien Jacob stervende profeteerde, de groote Davids Zoon, en ook, de beloofde Profeet, Priester en Koning, het Offer!
Hier ligt de Gegevene Beloofde des Vaders!
Waartoe anders dan, waartoe Hij voorzegd is, om te zijn het Lam Gods dat de zonden der wereld draagt?
De waanverbeelding van den vleeschelijken zoon van Abraham moge in den Beloofde zien den Christus als Verlosser van Israël uit de macht van Rome, schitterend tronende onder een baldakijn van buitgemaakte veldteekenen, in een paleis overladen met veroverde pracht, terwijl al de omringende volken Hem eeren met geschenken; Gods doel met de zending Zijns Zoons, Christus’ doel met Zijne komst in het vleesch is eene eindere redding, andere heerlijkheid. Redding uit de macht van satan, zonde en dood; heerlijkheid in de zalige gemeenschap met God.
Om Bethlehems kribbe ruischt de zoete toon van goddelijk mededoogen. Daar wordt herhaald: Ik heb geen lust in den dood des zondaars.
Hier kan dat gehoord worden. Niet, omdat het in Bethlehem is, al moest het naar het woord der profetie in Bethlehem zijn. Niet, omdat het Kindeke is de zoon eener maagd, al is ook dit in overeenstemming met de voorzegging. De profetie maakt de uitkomst niet waar; de uitkomst doet het de profetie.
Hierom kan de toon der genade beluisterd worden, omdat dat Kindeke is: God, geopenbaard in het vleesch.
Geen menschenkind van nog zoo hoogen en voornamen afkomst kan zijn de Zaligmaker der wereld. Hoe zal een reine geboren worden uit eene onreine? Hoe zal het kind des menschen zijn, wat het voor zichzelf als mensch wezen moet, volmaakt rechtvaardig voor God. Neem, bij wijze van spreken, den beste uit de besten en — hij is een zondaar, die niet eens zichzelf behoudenis schenken kan. En ware het kindeke in Bethlehems stal niet meer geweest dan louter mensch, zijn lijden en sterven hadde geen betaling kunnen zijn voor Zijns volks zonden; Hij hadde eigen schuld gehad en die schuld zelfs niet door het bitterst lijden kunnen afdoen; Zijn sterven ware Zijn ondergang tot eeuwige duisternis geweest.
Het is niet door den mensch, dat de mensch verlost kan worden.
En toch door een mensch, maar — die tegelijkertijd is God.
Oogenschijnlijk is dat Kindeke armer dan duizenden andere kinderen, toch is het de kapitaal-krachtige Borg met een eigen, eeuwig vermogen tot redding ter zaligheid.
En nu mag het volk, dat zijne breuke door genade kent, zien op het Kerstfeest naar het geboren Kindeke. Daar is veel aantrekkelijks, veel, dat het menschelijk hart roert, in de omstandigheden. Maar dat Kindeke is het toch, waaraan alles ondergeschikt is. Neen, wij gaan niet op met de feestvierende menigte om Maria of Jozef, om Engelen of herders, om Simeon of Anna. Wij gaan op om het Kindeke.
Genade leest ge op het aangezicht, dat eens besmeurd zal zijn met speeksel, stof en bloed; genade op die handen, die zich zegenend zullen opheffen, doch ook, doorboord, zullen geklemd zijn tegen het hout van den vloek; genade op die voeten, lieflijk als van Dengene, die vrede verkondigt, doch straks doorgraven op Golgotha.
En gij hoort Zijne stem: Wendt u tot Mij en wordt behouden! Komt tot Mij, gij allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven!
Dat kan, dat is zoo, omdat Hij God is, geopenbaard in het vleesch!

Wij zullen Kerstfeest vieren, zoo de Heere wil. Zal het ons waarlijk een feest zijn, dan moeten wij niet blijven hangen aan het uiterlijke. Dan als zondaar gebogen bij de kribbe, de toevlucht genomen tot Hem, die Gave Gods, zelf is God, te prijzen tot in eeuwigheid. Voor armen is Hij de volkomen Helper; voor verlorenen de zaligheid.
Hij kan zaligmaken en maakt zalig! Werp in allen ootmoed uwe bekommernis op Hem, al uwe zonden en ongerechtigheden !
Zoude den Heere iets te wonderlijk zijn?
Blijft niet van verre, bekommerden van hart! O, ik weet het, gij staat als aan den ingang van Bethlehemsstal en tracht een blik te werpen in de kribbe. Komt naderbij, ziet uwen Heere en uwen God, uwen volkomen, Zaligmaker, en — gelooft!
Hij is God, geopenbaard in het vleesch, om u te verlossen!
F. Lengkeek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925

De Wekker | 6 Pagina's

Bij de Kribbe

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken