Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Sumatra. (16)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Sumatra. (16)

Van Medan naar Siboga.

6 minuten leestijd

Ik denk hier bijv. aan het Tuba meer dat in 1838 feitelijk voor het eerst grondig bekend werd, maar nu staat er in Pearapat een modern hotel, dat een stroom van vreemdelingen trekt.
Met het gouvernement komen de wegen, waardoor het land open gelegd wordt. Een zegen, zegt de Westerling, want nu kunnen wij met onze automobielen en motors die mooie binnenlanden bezoeken Op zichzelf zal ook niemand een goed wegennet veroordeelen, maar de Zending ervaart als het ware elken dag, wat er nu over die wegen de inlandsche wereld binnen komt. Met het gouvernement komen de ondernemingen, die de schatten uit den bodem halen.
Wie zal het veroordeelen, dat men elk vruchtbaar plekje in deze wereld ontgint, maar de inlander leert op en door deze ondernemingen den Westerling niet van zijn beste zijde kennen, en de Zendelingen gevoelen alle dagen, welke gevaarlijke invloeden er van plaatsen als Medan en Siantac op de Christenen uitgaan. De nieuwe vorm, waarin het materialisme van den Westerling zich aan den Oosterling voordoet, bekoort hem zoodanig, dat hij daardoor in zulke dwaasheden vervalt, dat de Westerling hem deswegen bespot. Want hij heeft nu eenmaal de neiging om zoo mogelijk dan Westerling in alles na te doen, in kleeding, in manieren, en vooral in zijn pleizier. Het pleizier, dat de Westerling maakt, is voor hem zoo nieuw; de opwinding, waardoor alle vermaak in het Westen zich kenmerkt, imponeert hem zoo. Want zelfs het pleizier is in het Oosten echt stemmig. De Oosterling wint zich niet op. Hij schreeuwt en tiert, hij lolt en brult niet. Als men 20 à 30 000 inlanders op een feest bij elkander ziet, gaat alles er zoo ordelijk toe, dat een Westerling in dit opzicht heel wat van den Oosterling zou kunnen leeren. Maar nu neemt hij dit alles van de Westerling over en zijn feesten zijn niet meer, wat zij vroeger waren. Er is een algemeene klacht, dat de Slametan, dit is de Inlandsche vreugdenmaaltijd, in de laatste jaren verruwt en dat er zich tooneelen bij voordoen, die men vroeger niet kende. Er wordt nu helaas ook jenever bij gedronken, waardoor de stemming natuurlijk nog opgewondener wordt. Een tweede gevaar is de verwereldlijking. Want zoolang de Battaklanden geïsoleerd en letterlijk opgesloten waren, zoolang er geen wegen en geen ondernemingen waren aangelegd, bleven deze menschen voor de verderfelijke invloeden der westersche wereld bewaard. Hun Christendom werd door geen invloeden van buitenaf bedreigd en kon zich dus rustig ontwikkelen. Maar toen deze landen werden opengelegd, toen een gemakkelijke verbinding met Medan tot stand kwam, toen zij de bioscoop, de jenever en het geld leerden kennen, toen hun oog open ging voor de mondaine Westersche uitspattingen, trok hun hart met een onwederstandelijke kracht daar heen. De jongelui, die Medan gezien hadden, en kennis gemaakt met datgene, wat daar voor een jong mensch te genieten was, voelden zich in hun dessa niet meer thuis en zich niet bekommerende om de gevolgen ging naar Madan.
En wat naar Medan gaat of op de cultures rondom Medan gaat arbeiden, zeide men in de Battaklanden, is voor het Christendom verloren. Maar de Westersche invloeden dringen ook vanuit plaatsen als Medan en Siantai en Siboga de Battakeilanden binnen. De bioscoop komt en maakt de menschen begeerig naar datgene, wat zij zien, en ongelukkig en ontevreden, omdat zij het niet kunnen bekomen, In de maar primitieve localiteiten heb ik deze bioscopen zien afdraaien en ademloos zat die opgepropte ruimte te staren op datgene, wat de film voorstelde. Want de inlanders en helaas ook de christenen onder hen, zijn verzot op de bioscoop, maar zij zijn blind voor de gevaren, die er voor hen aan verbonden zijn. En dit gevaar wordt nog grooter, nu de inlander meer geld krijgt, want het geld, dat hij niet noodig heeft, spaart hij niet op; sparen kent een inlander niet, hij kan alleen opmaken. Maar ieder gevoelt, welke ontzaglijke gevaren hieruit opkomen voor het christendom, dat nog geen diepe wortelen in het volksleven geschoten heeft. En nu nog een derde, want het is feitelijk een drievoudig monster, waar de zending te strijd tegen te voeren heeft: de adat, het materialisme en…. de verlichting. Dat is niet de verlichting des Heiligen Geestes. Want die omvat zoowel het verstand als het hart en daardoor wordt zij tot een blijvenden zegen voor ieder mensch die daarin mag deelen. Maar de verlichting, die ik hier bedoel, is de bloot intellectueele verlichting, het is het bijbrengen van allerlei kennis aan den mensch, die zeker haar beteekenis voor hem heeft, maar hem toch niet altijd ten zegen is. Overal waar, en onverschillig in welken vorm het Westen in het Oosten optreedt, krijgt het Oosten contact met de verlichting, die het Westen op het Oosten vooruit heeft.
En het is die verlichting, het is die kennis en de macht, door die kennis verkregen, waarnaar de oosterling gaat hongeren, zoodra hij er mede in contact getreden is. Hij zou desnoods bereid zijn, zijn geheele oostersche traditie en adat prijs te geven alleen om die kennis en de macht daaraan verbonden deelachtig te worden. Maar daarin schuilt nu voor den inlander een ontzettend gevaar. Want die kennis maakt hem los uit zijn geheele levensverband, en zij wordt oorzaak, dat hij zich in zijn oostersch milieu niet meer thuis gevoelt. Die kennis maakt hem ongelukkig, omdat zij hem juist van datgene berooft, waarin hij zich tot nog toe tehuis gevoelde. Zij berooft hem van zijn huis en zijn dessa, zijn sawa's en zijn vrienden. Hij voelt zich door zijn kennis verre boven dat alles uit. Ieder kent in Indië dat type jongelui. Heel of half westersch gekleed, vaak met bloote voeten in Europeesche schoenen; een witte jas en in een van de borstzakken de noodige hoeveelheid potlooden en vulpenhouder, een hoofddoek en daarop een Westersche hoed, een groote zonnebril en heel dikwijls een portefeuille. Dit type heb ik in groote getalen door heel Indië ontmoet. 't Zijn de jongelui, die reeds krani zijn of soliciteeren om krani-ambtenaar te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926

De Wekker | 4 Pagina's

Sumatra. (16)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1926

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken