Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vragenbus

4 minuten leestijd

L. v. d. B., vraagt in betrekking tot den z.g.n. „vroeg-doop”, zooals die in de Geref. Kerken bediend wordt, of deze gewoonte steunt op de H. Schrift, en ook reeds door onze Vaderen gevolgd werd, en zoo ja, of het niet noodzakelijk is, dat ook de Chr. Geref. kerk deze practijk toepasse?” Het beste zal wel zijn voor alle overdrijving zich te wachten. De vroeg doop” moge verworpen worden, maar evenzeer moet gewaakt tegen bet „laat-doopen”. De eerste mag een overschatting van den doop zijn, maar de tweede is een verwaarloozen van den doop. Getracht moet worden deze instelling zooveel mogelijk aan haar doel te doen beantwoorden.
Een nadrukkelijk bevel voor „vroeg-doop” geeft Gods Woord niet. Voorstanders beroepen zich gaarne op het gebod om het kind op den achtsten dag te besnijden. Of dit nu een genoegzaam argument is, om den „vroeg-doop” te verdedigen, meenen we te kunnen betwijfelen; de mogelijkheid is toch niet uitgesloten, dat deze achtste dag verband hield met den lichamelijken toestand van het kind. En wil men zich letterlijk aan dit voorbeeld binden, dan moet men ook niet binnen de acht dagen den doop toedienen; niet zelden toch worden de kinderen op den tweeden, ja op den eersten dag gedoopt.
Ook onze kerkelijke bepalingen bevatten geen besliste uitspraak. Wel staat in art. 56 D. K. O. „zoo haast men den doop hebben kan”, maar wijselijk is voorts elke tijdsbepaling achterwege gelaten. En wijst men er op, dat ook de Vaderen voor „Vroegdoop” waren, dan stemmen we toe, dat uit oude doopboeken blijkt, dat de doop ook in hun tijd binnen de acht dagen geschiedde. Maar hieraan kan toch niet het bewijs ontleend, dat onze Vaderen voor „vroeg-doop” waren? Waarom bovendien het drijven van „vroeg-doop” bij velen zooveel weerzin opwekt, is, dat het al te veel verband houdt met de huidige Verbondsbeschouwing in de Geref. kerken.
Wil men om genoemde redenen geen voorstander zijn van de doops-practijk in de Geref. Kerken, men wachte zich anderszijds voor een euvel, dat nog minder door den beugel kan, nl. een uitstellen van den doop, waardoor men zijn kind benadeelt, In den doop onderkennen we toch allereerst een handeling Gods ten opzichte van het kind, dat daardoor toch komt onder het zegel der belofte Gods. Vergete men dat toch niet. Dit is de kern van den doop. Door zonder noodzaak den doop uit te stellen, laat ge uw kind dat zegel missen. Met kracht heeft de Kerk te waken tegen verwaarloozing van den doop.
In de Chr. Geref. Kerk wordt de doop bediend, wanneer ook de moeder tegenwoordig kan zijn. Ligt hierin ook niet een heilig recht der moeder? Inniger nog dan de vader staat zij tot haar kind in betrekking; de opvoeding rust voor een groot gedeelte in haar hand. En moet de ouderscheiding tusschen man en vrouw in de Gemeente des N. Verbonds zoo scherp doorgetrokken als in den tijd van Israël? Of heeft niet de vrijmaking door den Zoon des menschen haar niet een plaats der eere ingeruimd in het midden der Gemeente?

A. d. H. Uw vraag is eenige maanden geleden reeds in deze rubriek beantwoord. Plaatsruimte laat niet toe, dat we telkens in herhaling treden. Trouwens in uw vraag ligt het antwoord. Het afleggen van geloofsbelijdenis eischt volgens de H. Schrift het zaligmakend geloof, Door deze belijdenis toch verklaart de mensch in welk een verhouding hij tot den Heere staat. Dat is de subjectieve zijde van zijn belijdenis; de objectieve is de belijdenis van alles wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Naar deze belijdenis heeft de Kerk te rekenen; alleen de Heere kent het hart. Op grond van deze belijdenis wordt den belijder dan ook de toegang tot het H. Avondmaal ontsloten en leeft hij ook onder de tuchtleer der Kerk.

A. (Apeldoorn) G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 21 January 1927

De Wekker | 4 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van Friday 21 January 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken