Bekijk het origineel

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus (XIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus (XIII)

5 minuten leestijd

2:15-17. Christus eet met tollenaren en zondaren.

Levi, de tollenaar, heeft, op de roeping van Jezus, niet geaarzeld, zijn tolhuis en daarmede zijne winstgevende werkzaamheid te verlaten. Zal hij van nu aan hart en hand ten dienste stellen van den Heiland, ook zijn huis staat open voor Jezus, ook zijn disch. Van het tolhuis gaat het naar de woning van Levi. Daar wordt de disch voor den Heere gespreid en Jezus weigert niet aan die eenigszins feestelijke tafel aan te zitten, een tafel, niet gedekt voor brasserij en dronkenschap, maar waardoor Levi wil uitspreken: „Al het mijne is het Uwe!” — een tafel, toegericht om daardoor te doen uitkomen de gemeenschap, waarin hij gevoelt met Jezus te staan. Is ook nu nog het noodigen van iemand aan onzen disch niet een bewijs van eenheid?
Wanneer zulk een maaltijd in het Oosten gehouden wordt, worden de deuren niet angstvallig gesloten; zij staan open, ook voor andere vrienden, al hebben zij nu geen bepaalde uitnoodiging ontvangen.
En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jesus en Zijne discipelen, want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.
Den tollenaar kennen wij eenigszins uit het voorgaande. Onder zondaren hebben wij niet te verstaan de zondaren in algemeenen zin; allen hebben wij gezondigd en zondigen wij en zijn wij dus zondaren. Wij hebben hier meer te denken aan menschen, die in hunne openbaring betoonden gebroken te hebben met den dienst des Heeren, in een tijd van vormdienst in het oog van den mensch al het ergste, waartoe een mensch vervallen kan. Het is niet onmogelijk, dat er onder hen menschen geweest zijn, die tot nu toe behoorden tot, wat wij noemen, de heffe des volks, ruw en onbeschaafd, spotlustig en uitspattende in goddeloosheid; menschen, die genoemd werden als voorbeelden van slechtheid; — het is evenmin onmogelijk, dat er bij geweest zijn, zooals ze er ook nu nog zijn, menschen, net en beschaafd, maar ongodsdienstig; die de synagoge de synagoge lieten en zich om den dienst des Heeren niet bekommerden.
Wat spraken deze menschen echter uit door hun aanzitten aan Levi's disch?
Dit, dat het woord des Heilands vat op hen gekregen had; dat er eene behoefte in hen gekomen was aan een anderen levenssfeer; dat de tollenaar in zijn afperserij, de zondaar in zijn van God gekeerd leven, het toch eigenlijk niet vinden kon; dat zij bekenden God noodig te hebben. Hoever dit nu gegaan is, weten wij niet. Dit weten wij — en het zij ons tot bemoediging! — dat Jezus Zich niet schaamt, om met hen aan te zitten, met hen te eten, met hen gerekend te worden!
Dat het Hem van de zijde van het officiëele Jodendom kwalijk genomen werd, zegt ons de Schrift. Want de Schriftgeleerden en de Farizeën, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden, niet tot Hem, maar tot Zijne discipelen: Wat (is het), dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?
Daarvoor moest Jezus toch te hoog staan! Wie wierp zichzelven nu weg door zoo te doen? Dat is geen omgeving voor iemand, die blijkt een hooge roeping te hebben! Dat hij zich aansluite bij hen, de menschen, die de wet weten en houden! En indien Hij dat niet wenscht, welnu, het zij zoo, maar Hij houde Zich niet op met dat volk !
Wat een verachting van den mensch, die, hoe diep gevallen en hoe ver gezonken in de ongerechtigheid, toch naar het beeld Gods geschapen is! Wat een verheffing! Wisten zij dan niet, dat zij evengoed zondaren waren? Dat zij met al hun wet-volbrengen toch niet anders waren in het oog van den hart-en-nieren-proevenden, rechtvaardigen God dan verdoemelijke zondaren! Neen, zij wisten het niet; met al de kennis van de Heilige Schrift was het voor hen verborgen, dat zij in Adam gevallen lagen; zij wisten het niet, gelijk ook Nicodemus het niet wist, dan toen hij het van Jezus leerde, dat zij wederom geboren moesten worden; — toch waren zij leeraars in Israël!
En Jezus (dat), wat zij tot Zijne discipelen zeiden, hoorende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.
Wat een ironie, fijne spot met de voortreffelijkheids, de volmaaktheids verbeelding der Schriftgeleerden en Farizeën ligt er in het woord van den Heiland! Neen, de Heere zegt niet, dat zij gezond, dat zij rechtvaardig zijn. Verre van daar — Jezus kende hen in hun doodstaat, hun zondig bestaan! Zij meenen gezond, rechtvaardig te zijn! Welnu, zij worden voor de gevolgtrekking uit hunne meening geplaatst, deze, dat zij dus Jezus niet noodig hebben. Er is bij hen geen plaats voor een Heiland ! Jammerlijke toestand, waarin ook heden ten dage zoovele menschen verkeeren, wien het toch niet aan kennis der waarheid ontbreekt!
Voor hen, die zich evenwel krank weten, is het woord des Heilands een woord van groote bemoediging. Voor hen, die zich zondaar kennen, klinkt het lokkend om uit te gaan tot Hem, bij wien plaats is voor zondaren; Die zich zondaren niet schaamt; Die met tollenaren en zondaren eten en drinken wil; Die ze kan en wil en zal hooren, genezen, tot volkomen verlossing wil zijn, als zij tot Hem komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1927

De Wekker | 4 Pagina's

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus (XIII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken