Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Bondszegelen (XXIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Bondszegelen (XXIII)

4 minuten leestijd

Vooreerst moet klaar en duidelijk ons voor den geest staan, dat het genadeverbond de onwankelbare belofte stelt „Ik ben uw God”. In deze ééne belofte vallen feitelijk alle andere samen. „Ik ben uw God”, daaromheen groepeeren zich alle beloften, en daaruit vloeien alle beloften voort. Eens, in het werkverbond, was dit het grootste, dat de Allerhoogste zich in een bijzondere betrekking tot den mensch wilde stellen. Toen was er geen breuke tusschen God en Zijn schepsel, toen was het „Ik ben uw God”, de zilveren harptoon, die door Edens hof ruischte, en die Adams ziel met lofzangen des vredes vervulde.
Maar wij weten, de ure is daarheen, die zilveren harptoon is verdwenen, toen de angel door 's menschen ziel greep: „ik hoorde een stem in den hof en ik vreesde, daarom verborg ik mij”.
Zie, toen waren wij God kwijt; en door dien val in Adam viel de menschheid uit het leven in den dood, uit het licht in de duisternis, uit de waarheid in de wereld van den leugen, van den schijn, van de caricatuur.
Wat ware er nu van den mensch, van den zondaar, den doemeling, den dwaler in dat groote land van moeheid en tranen te recht gekomen, als God niet naar hem had gevraagd. Niet de mensch toch begon met naar God te vragen. Wanneer het aan den mensch gelegen had, dan had hij zich zelf al verder van den Oorsprong des levens vervreemd, om straks in kolken van eeuwige verlating om te komen.
Maar hier geldt het schoone woord van onze Gereformeerde geloofsbelijdenis, waaruit blijkt, dat onze Gereformeerde vaderen de leer van het verbond der genade niet in een afzonderlijk artikel, maar als een gouden draad door heel de belijdenis hebben geweven, wanneer art. 17 zegt: wij gelooven, dat onze goede God door zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende, dat zich de mensch alzoo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, Zichzelve begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem Zijnen Zoon te geven, die worden zoude uit eene „vrouw, om den kop der slang te vermorzelen”, en hem gelukzalig te maken (Gen. 3:15).
„Zichzelf begevende”. Daarop moet de nadruk gelegd. God zelf heeft aan de springbron van Zijn wezen het leven en de genade doen ontspringen, waardoor de geestelijk doode zondaar weer het ruischen van Gods goedertierenheden zou hooren. Zoo geeft het genadeverbond terug, wat wij in het werkverbond verloren hebben, maar nu tot veel hooger heerlijkheid opklimmend. In het werkverbond God als Schepper, maar in het genadeverbond God als Vader in onzen Heere Jezus Christus. In het werkverbond was alles op één worp gesteld, d. w. z. Adams gehoorzaamheid. Maar dat was altijd een hachelijke positie, want een mensch, zelfs in den staat der rechtheid, bleef een mensch, die vallen kon. Doch in het genadeverbond, zeker, daar staat ook alles op één worp, want Christus treedt in de plaats van Adam. Maar deze Christus, deze tweede Adam, is de Heere uit den hemel, en nu behoeft geen mensch tusschenbeide te treden, maar nu staat God in Christus zelf voor de onbreekbaarheid van Zijn verbond in. In het genadeverbond geeft de Heere zich weer weg aan den zondaar, opdat die zondaar zich in den weg des verbonds weer aan den Heere zou kunnen kwijt worden. Maar het kenmerkende van den zondigen mensch is steeds geweest, dat hij altijd anders wilde, dan God wilde Als de Heere in het werkverbond zegt, dat de mensch door eigen gehoorzaamheid en gerechtigheid het eeuwige leven zou verkrijgen, dat hij dus door werken de zaligheid kon verdienen, dan heeft de mensch zich daarvan in zijn val afgewend en liever geluisterd naar de inblazingen van den satan. En als de Heere in Zijn genadeverbond zegt, dat de mensch door Christus' gehoorzaamheid en toegerekende gerechtigheid, het eeuwige leven zou deelachtig worden, dat hij dus „om niet” de zaligheid zou verkrijgen, dan wil de mensch van nature dit evenmin. Zoo staan wij altijd lijnrecht tegenover God en is het geen wonder dat de mensch, 't zij dan op meer goddelooze, of op meer vrome manier, zijn aanmerkingen heeft op den weg des heils.
Maar de eerste beslissende vraag in het genadeverbond is niet, hoe gij en ik, en hoe do mensch tegenover dat verbond staat, maar hoe God tegenover den mensch staat, en hoe de God des verbonds zelf over dat verbond en over den bondeling oordeelt.

A. (Apeldoorn) S.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927

De Wekker | 4 Pagina's

De Bondszegelen (XXIII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken