Bekijk het origineel

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus 39

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus 39

6 minuten leestijd

4 : 35–41. Ook de wind en de zee Hem gehoorzaam.
De Heere Jezus is het land doorgegaan, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods; zoo werd dan ook Zijne werkzaamheid niet beperkt tot Galilea of Judea, maar vinden wij Hem ook in Samaria en Perea, het Overjordaansche.
En op dien dag, waarop Hij inzonderheid door gelijkenissen geleerd had, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen, Zijne discipelen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. Zoo wij weten, leerde de Heere de schare, terwijl Hij op het schip zat en de schare aan den oever. (vs. 2). En zijn de schare gelaten hebbende, nadat zij de schare het afscheid gegeven hadden, terwijl niemand hunner medeging, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en daar waren nog andere scheepkens met Hem; een kleine vloot of afdeeling schepen steekt dus in zee. En daar werd een groote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzoo dat het nu vol werd. Vanwaar die storm, die geweldige? Het gebeurt meer, dat plotseling een storm valt op een meer, dat rondom van bergen omgeven is; daarin ligt niets bijzonders. En als het gebeurt, is het ook niet toevallig; alles is in de hand Gods, die het doet komen, bestiert en doet verdwijnen of ophouden. In dit opzicht drukten de Romeinen zich religieuser uit dan wij; wij zeggen: Het stormt; de Romeinen zeiden: Jupiter (God) stormt. Menigmaal wordt in de Schrift van een wind des Heeren gesproken. Op een enkele plaats lezen wij nog van iets anders. Zoo spreekt het boek Job ons (1 : 9) van een grooten wind, komende van over de woestijn, die aan de vier hoeken stiet van het huis, waarin Jobs zonen en dochteren samen waren, zoodat het huis ineenstortte. Het verband geeft hier aan, dat deze wind werd bestierd of gebruikt door den vorst der duisternis — altijd onder Gods bijzondere toelating (1 : 12) — om Job te doen wankelen en vallen in zijn vertrouwen op en vreezen en dienen van God. Ook in ons verband hebben we te denken, niet aan een gewoon, onder Gods bestier staand, natuurverschijnsel, maat aan een poging des satans om den Heiland te verderven. Wil hij Hem niet hebben in het land der halfheidensche Gadarenen (zie volgend hoofdstuk)? Voor een tijd is hij van Christus geweken, heeft Hij van Hem afgehouden, wordt ons gemeld na de verzoeking in de woestijn. Nu komt hij in den storm. Zoo mogelijk zal hij den Zoon van God, hij kent Hem volgens eigen belijdenis (1 : 24), doen ondergaan in de diepte van de zee van Galilea; niemand heeft hij te vreezen, Hem wel, Hem, die gekomen is om zijne werken te verbreken. Wat de satan doet, doet hij goed, al is het, dat zijn toeleg niet altijd bereikt wordt. Het is dan ook niet te verwonderen, dat de baren hoog oprijzen, dat zij in overstelpende hoeveelheid aankomen, en het schip vol zetten. Wat zullen de discipelen gearbeid hebben, om het scheepje drijvende te houden. Verkeerde ook hun leven niet in gevaar? Maar bovenal, dreigde er geen gevaar voor het leven van Hem, dien zij lief hadden? En, Jezus, Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen! Te midden van het groote gevaar slaapt Jezus. Hij slaapt, vermoeid naar het lichaam, maar niet alleen daardoor is Zijn slaap zoo vast, dat het geloei van den storm en het geklots der baren en het slingeren van het schip Hem niet wekken, Hij ligt daarneder in Godsvertrouwen, ook in den slaap zich bewust, dat geen leed Hem treffen kan. Wat Hem de satan eenmaal (verminkt) voorhield bij de verzoeking in de woestijn, wordt aan Hem vervuld: Want Hij zal Zijn Engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uwe wegen; zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geenen steen stoot. Jezus heeft geene vreeze gekend dan in den bitteren strijd in Gethsemané; geene vreeze voor menschen geene vreeze voor duivelen, derhalve ook geene vreeze voor de geweldadige openbaring der natuurkrachten. Zoo slaapt Hij, en Zijne rust is zoet te midden van het barnen der elementen. Maar Zijne discipelen, zij waren menschen, zondige, onvolkomen, voor twijfel vatbare, door het geweld zoo grijpbare menschen. Hun geloofsleven is niet het volmaakte van den Heiland, en zij vreezen zeer; straks gaat het scheepje naar de diepte, en dan? Maar is Jezus dan niet bij hen, zullen zij met Jezus vergaan? Dit over te laten in het geloof aan Hem is te veel voor hen en zij wekten Hem op en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan? Hoe moet dit woord den Heiland pijn hebben gedaan, Hem, die toch zoo vol bekommering was over hen. Maar hij verstaat hen en opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! Uit dit bestraffen van den wind blijkt wel, dat er wat te bestraffen was; dat achter den wind een andere kracht zat, die het op boosheid, op verderving had aangelegd. Welk Koninklijk woord! Hoe zeer verschilt het van alle menschenwoord in zulke omstandigheden gesproken. Maar daarin juist openbaart zich Jezus als den Trooster, die maar niet kalmeert door Zijn spreken of door de behulpzame hand uit te steken medehelpt aan een mogelijke redding, doch die de oorzaak der ellende aangrijpt en te niet doet. En de wind ging liggen, en daar werd groote stilte. De bestrafte wind, of liever, de bestrafte satan moest ophouden en zich terugtrekken en a!s gevolg daarvan legden zich de wateren der zee. Groote stilte komt er in het rijk der natuur, als verwonderde de natuur zich over de openbaring der goddelijke macht van den Zoon van God. Groote stilte is er zeker ook gekomen in het hart van de jongeren, die in eerbiedige verwondering den Heiland hebben aangestaard. De Heere heeft hen begrepen, toen zij Hem opwekten, en hun niets verweten in den toestand van angst, waarin zij verkeerden. Nu evenwel, nu de oorzaak van hun angst weggenomen is, nu zij kunnen verstaan, wat zij verstaan moeten, nu komt de Heere met een naar den vorm zacht en toch ernstig verwijt. Hij zeide tot hen; Wat zijt gij zoo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? Zij hadden niet geloofd, daarom waren zij door de vreeze overmand. Niet geloofd in Hem als den Christus en in Zijne zending, en daarom hadden zij niet verstaan, dat er met Jezus van geen verloren-gaan sprake kon zijn. Het gold hier een gevaar voor het aardsche, tijdelijke leven; moet hetzelfde verwijt Gods kinderen, ook van den huidigen dag, niet dikwijls, zeer dikwijls, treffen?
En zij vreesden met groote vreeze — versta hieronder geen angstige vrees, maar een vervuld zijn met diep ontzag voor de ontplooide majesteit van den Christus — en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn? Wie?
De Zoon des levenden Gods, het Woord, door Hetwelk alle dingen zijn!
F. Lengkeek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929

De Wekker | 6 Pagina's

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus 39

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken