Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een kerkelijke uitspraak 10

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een kerkelijke uitspraak 10

8 minuten leestijd

Wij vonden, dat, wie op grond dat de naam „verbond der verlossing” niet in de Schrift voorkomt en dat er niet gesproken wordt van een verbond door Christus gesloten, de leer van het verbond der ver lossing zou willen bestrijden, hij dan ook de leer van het verbond der genade en van Adam als het hoofd van het werkverbond zou moeten prijsgeven. Onze vaderen hebben altijd betoogd: het komt er niet op aan, of het woord of de woorden in den Bijbel staan, als de zaak waar het over gaat, maar duidelijk in de Schrift geleerd wordt. Nu gaat het niet aan, om hier al de teksten ter sprake te brengen, die ten bewijze van het verbond der verlossing kunnen worden aangevoerd. Genoeg zij, dat de Schrift overal, zoowel in Oud als in Nieuw Testament, ons Christus als den Borg voorstelt, ondergeschikt aan den Vader, waarom Hij genoemd wordt „een erfgenaam van alles”, Hebr. 1 : 2 en Ps. 2 : 8 zingt: „Eisch van Mij en Ik zal U geven de heidenen tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uwe bezitting”.
De positie van den Christus is dus tweeërlei. Hij komt voor als Testamentmaker, Hebr. 9 : 16, „want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tusschenkome” en Hij komt voor als erfgenaam. Al zijn deze beide namen van beteekenis en al wijzen ze duidelijk op de verschillende posities, die de Christus in de leer der verbonden inneemt, toch wil ik hier dit leerstuk van een andere zijde belichten.
Ik denk hier aan het woord van den Apostel in Rom. 5 : 14: „Welke een voorbeeld is Desgenen, die komen zou.” Hier wordt gedoeld op den eersten Adam als hoofd van het werkverbond.
Juist deze gedachte moet ons nu leiden, wanneer het de vraag raakt naar het schriftuurlijk betoog voor het verbond der verlossing. Immers hier zijn dezelfde elementen, waarbij niet „genade”, maar „werken” den doorslag zal geven.
Wat de ethische richting en met name Prof. van Oosterzee als bezwaar tegen de Gereformeerde leer van het werkverbond inbracht, die daarin slechts een juridisch kunststuk zag, geldt ook voor velen als bezwaar tegen de leer van het verbond der verlossing.
En toch, wie het leerstuk van het werkverbond gereedelijk toestemt, voor den zoodanige zal er geen enkel bezwaar kunnen zijn, om het leerstuk, van het verbond der verlossing als schriftuurlijk te onderschrijven.
Hoe komen wij in de Gereformeerde confessie aan de leer van het werkverbond? En dan moeten wij erkennen, dat wij daartoe komen alleen bij schriftuurlijke gevolgtrekking. Wie de H.S. op dit punt onderzoekt, komt weldra tot de conclusie, dat de verhouding tusschen God en den eersten Adam zoo is geteekend, dat wij hier van een werkverbond kunnen en mogen spreken; het gaat om de zaak, niet om het woord.
Wanneer wij nu Gen. 2 : 16 en 17 lezen, dan vinden wij daar duidelijk een onderhandeling tusschen God en den mensch. Er staat: „En de Heere God gebood den mensch, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten, maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.”
Hoewel wij in deze beide teksten het woord „verbond” niet vinden, zijn toch alle wezenlijke elementen van een verbond hier neergeschreven. Wij hebben voor eerst de beide partijen God en den mensch. God stelt Zijn wilsbepaling, hoe de mensch het eeuwige leven zou deelachtig worden. Terstond treedt de Allerhoogste met den mensch in een bijzondere betrekking, die wij een verbondsbetrekking noemen. God bepaalde hier, dat het eeuwige leven al leen te verkrijgen was in den weg der werken, d.i. van de onderhouding van Gods geboden.
Deze verbondsonderhandeling stelde een eisch, nl. volmaakte gehoorzaamheid; hield tevens in een rijke belofte, n.l. het eeuwige leven, maar kwam ook met een bedreiging van straf bij overtreding, n.l. den dood.
Wij hebben hierin al de factoren, die noodig zijn tot een verbondssluiting, en waarin de eerste Adam als representeerrend verbondshoofd de geheele menschheid vertegenwoordigt. Adam was dus niet alleen stamvader, zoodat uit hem alle menschen zouden geboren worden, hij was meer, hij was hoofd, vertegenwoordiger van heel het menschelijk geslacht, zoodat zijn daad beslissend was voor allen.
En nu komen wij, waar wij wezen willen. Dit alles, wat nu van Adam geldt in het verbond der werken, geldt dus ook van Christus in het verbond der verlossing. Dat verbond der verlossing draagt het karakter van een werkverbond, en hier is Christus ook verbondshoofd, vertegenwoordigende het nieuwe geslacht, Hier beslist ook één voor allen, hier geldt ook als voorwaarde volstrekte, volmaakte gehoorzaamheid, en dat wel in dubbelen zin, als wij spreken van de dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid van den Christus.
Wanneer wij nu naar het schriftuurlijk bewijs zoeken, dan gaat het ons hier als bij het schriftuurlijk bewijs voor het werk verbond, waar wij niet letterlijk, maar wel zakelijk deze verbondsleer vinden. Wij wijzen op een drietal uitspraken van den Heere Jezus.
Vooreerst Joh. 10 : 18: „Niemand neemt het zelve van Mij, Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve weder om te nemen; dit gebod heb Ik van Mijnen Vader ontvangen.”
Vervolgens Joh. 12 : 49: „Want Ik heb uit Mijzelve niet gesproken, maar de Vader die Mij gezonden heeft, die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal en wat Ik spreken zal.”
Ten slotte Joh, 17 : 4: „Ik heb U verheerlijkt op de aarde, Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.”
Uit deze Bijbelplaatsen wordt duidelijk, dat er een onderhandeling bestaat tusschen den Vader en den Zoon. Ook hier hebben wij een opdracht, een gebod, een eisch des Vaders, die van den Zoon vraagt alles wat noodig was, om aan het recht Gods te voldoen, om een goddeloozen, een verloren zondaar weder terug te brengen aan het Vaderhart Gods. En zie, als God den eersten Adam stelt in het werkverbond, dan raakt Hij hem kwijt en zegt: „(Adam) waar zijt gij?” Maar als God den tweeden Adam stelt, dan hoort Hij telkens: „Vader, Ik geef Mij; — Vader, Ik kom; — Vader, Ik heb voleind Uw werk.” Dan is het telkens: „Mijne spijze is, dat Ik doe den wil Desgenen, die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbrenge.”
In het genadeverbond behoeft niets gedaan te worden dan te ontvangen, hier is alle werk uitgesloten, want anders was de genade geen genade meer. Hier behoeven wij niet te redeneeren over de vraag, of het geloof nog voorwaarde is, die door den mensch moet ingewilligd worden, want dan ware het genadeverbond immers een verkapt werkverbond. Neen, het geloof behoort mede tot al die rijke weldaden des heils, die uit de bronnen van dit genade verbond ons toekomen, maar in het verbond der verlossing staan de zaken zoo geheel anders. Hier is niet de verloren zondaar, die op genade en niets dan genade pleit, maar hier is de tweede Adam, die werkt, die door lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een eeuwige gerechtigheid stelt voor God den Vader, en die op grond daarvan eischt: „Vader, Ik wil, dat aar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.”
Hier vertegenwoordigt Christus de Zijnen, gelijk Adam de menschheid. Hier staat niet alles wankelend in de handen van een mensch (den eersten Adam); maar hier ligt alles onwrikbaar, eeuwig vast in de handen Gods (den tweeden Adam). Hier betaalt God Zichzelf; hier is het alles uit Hem en door Hem en tot Hem.
Juist omdat dit verbond der verlossing, gelijk wij zagen, het karakter heeft van het werkverbond, kan het nimmer met het genadeverbond vereenzelvigd worden. Wel vindt het genadeverbond in dit werkverbond met Christus zijn grondslag, maar nimmer dekken deze beide verbondslijnen elkander. Het genadeverbond is een verbond met menschen, maar het verbond der verlossing of het werkverbond tusschen de drie personen in het goddelijke Wezen is een verbond met Christus als hoofd der nieuwe menschheid, der gegevenen van den Vader.
Wanneer dus in Rom, 5 gehandeld wordt over den eersten en den tweeden Adam, dan worden hier twee verbondshoofden tegenover elkander gesteld, die beide stonden in een werkverbond, Rom, 5 : 14.
Hier citeeren wij een woord van Prof. Bavinck: „De overeenkomst ligt daarin, dat de menschheid in juridischen en ethischen zin tot Adam in dezelfde verhouding staat als tot Christus. Op dezelf de wijze als Christus oorzaak is van onze gerechtigheid en ons leven, is Adam het van onze zonde en onzen dood. God rekent en oordeelt in één mensch het gansche menschelijke geslacht.”
Wanneer hier gesproken wordt van het gansche menschelijke geslacht, dan wordt niet bedoeld, dat nu ook alle menschen zalig worden in Christus, gelijk zij allen in Adam zijn verdoemd geworden, maar dan bedoelen wij het, gelijk Paulus het bedoelt in Rom. 5 : 18, 19!
Mogen wij ons vleien, dat hiermede de leer van het verbond der verlossing vol doende schriftuurlijk is toegelicht?
Apeldoorn
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Wekker | 6 Pagina's

Een kerkelijke uitspraak 10

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken