Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Monistische structuur

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Monistische structuur

4 minuten leestijd

We onderscheiden een vorige maai Theïsme van Deïsme. Dit onderscheid is thans genoegzaam ingeburgerd; het baart geen vergissingen meer bij de behoorlijk ingewijden. Toch drukken deze beide woonden taalkundig het eigenlijk daaronder verstaande onderscheid niet uit. In vroegere geschriften vindt men meermalen Deïsme geschreven als men Theïsme bedoelt. Men zij daarop bedacht bij het bestudeeren van sommige oudere boeken.
Sedert Kant, den Koningsberger wijsgeer, (1724—1804) krijgen deze woorden hun hierboven (zie vorige artikel) beschreven historische beteekenis.
We spreken van God den Heere als transcendent en als immanent. Transcendent wil zeggen, dat God boven en over alle schepselen bestaat, ook als de wereld niet bestaat. En immanent wil zeggen, dat God tevens in zijn schepping op de meest presente wijze aanwezig is.
Men make hier alvast nauwkeurig onderscheid tusschen immanentie en emanatie. Dit laatste zou inhouden, dat God niet slechts tegenwoordig is in zijn wereld, en zich met deze onophoudelijk bemoeit (immanent); maar het houdt in, dat de wereld uit Gods wezen zou „uitgevloeid” zijn (emanatie). Maar de wereld is niet uit Gods wezen, maar uit Zijn wil voortgekomen. Hierover D.V. later nog eens meer.
Het Deïsme, zoo zagen we reeds, ontkent deze immanentie Gods; en huldigt dan eene enzijdige transcendentie Gods.
Het Pantheïsme daarentegen, omgekeerd, huldigt met verwerping der absolute transcendentie Gods, de immanentie in zoodanige éénzijdigheid, dat het geworden is: immanentisme, d.w.z. God is niet buiten en zonder de wereld. Hij kent geen afzonderlijk van de wereld onderscheiden bestaan.
Zoodat alles wat bestaat tevens Godsbestaan uitmaakt; nóg beter ware te zeggen: „Gods-wording”. Gods eeuwige zijn is daar zijn eeuwige wording; want God is de wereld naar Zijn (Gods)historisch proces.
De wereld is om zoo te zeggen „geronnen” godheid.
Dat woord pantheïsme kende de oudheid niet, noch de middeleeuwen.
Aristoteles sprak wel van pantheion, maar als hiëron-pantheion, dit is: een tempel aan alle goden gewijd.
Tot de 18e eeuw toe werd pantheïsme eenvoudig atheïsme genoemd. De eerste die het woord pantheïsme gebruikte, is de Engelsche vrijdenker Toland.
Hegel noemde Spinoza’s stelsel een tot akosmisme gestegen monotheïsme.
Dat wil zeggen: Hegel vond Spinoza’s pantheïsme veeleer een overdreven voorstelling van de leer van éénen God; en wel zóó, dat God niet slechts de eenige maar ook het al zou zijn, zoodat er eigenlijk van niets anders dan van God als het eenige sprake zou zijn; waardoor aan de wereld, den kosmos, feitelijk een eigen bestaan werd ontzegd, vandaar die benaming akosmisme. Die a beteekent hier een ontkenning. Dus er zou geen wereld eigenlijk bestaan; want wat wij wereld noemen, dat is naar die voorstelling eigenlijk God.
Dit oordeel van Hegel kunnen we niet juist vinden. Beter ware het, te spreken van monisme, inplaats van monotheisme. Wiat Spinoza en alle pantheïsten met hem voordragen is geen monotheïsme t e noemen, maar veeleer monisme. Dat wil zeggen, dat men aan de wereld der verschijnselen een ééne algemeene werkelijkheidsgrond toekent.
Het theïsme erkent een dualiteit, er zijn n.l. twee terreinen: geest en stof; maar zoo doet het monisme niet; dit leert, dat alles één en hetzelfde wezen is, en één en hetzelfde inwezen heeft.
Maar met dit woord monisme zijn we er inmiddels nog niet. Men kan het n.l. ondersoheiden in pantheïstisch monisme en atheïstisch monisme. Men kan zich dien z.g.n. éénen werkelijheidsgrond op tweeërlei wijze voorstellen.
Men kan zich n.l. dien immanenten éénen wereldgrond voorstellen als de volstrekte en éénige realiteit an sich; laat ik mogen zeggen als een goddelijk wereldprincipe, dan krijgt men pantheïstisch monisme. Zooals b.v. de moderne theosophie doet; gelijk Mevr. Blavatsky dan .spreekt van de verhouding tusschen dat wereldprincipe en zijn openbaring of gestaltenis-vorming, als van een esse en een existentie; een zijn en een uitspruiting van dit zijn.
Maar men kan zich ook het gebied, de afgesloten eenheid van stoffelijke en psychische processen, waaruit de wereld bestaat, voorstellen als een uit en door zich’ zelf bestaande éénheid, welke haar grond ia zichzelf heeft; waarbij men dus leert, dat de natuur, de stoffelijke en de geestelijke (en die twee weer als één en hetzelfde) wereld uit en door zichzelf bestaat, alles is dan niet God, maar alles is Stof; en dan noeme men dit atheïstisch monisme.

(Wordt vervolgd.)

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930

De Wekker | 4 Pagina's

Monistische structuur

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken