Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hallelujah! (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hallelujah! (II)

7 minuten leestijd

Psalm 148: 1, 20

Hoe is het Hallelujah verstoord in den hemel en op de aarde!
In den hemel het eerst!
‘Niet in gelijkheid met den mensch naar het beeld Gods, maar toch naar hunne natuur zijn ook de Engelen Gods goeid, zeer goed gesohapen, in alle opziohten bekwaam om het Hallelujah te beleven!
De Heilige Schrift leert lons echter, dat een deel der Engelen is gevallen.
Judas leert ons in zijn brief (vs. 6), dat er Engelen zijn geweest, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hunne eigene woonstede hebben verlaten.
Zij, die evenals de anderen geschapen waren om te zijn gedienstige geesten, opdat zij God en Zijn schepsel, inzonderheid den mensch, zouden dienen, zijn tegen God opgestaan, en hebben aldus hun beginsel, hun engelentaak of -plaats of -aanleg verloochend. Het woord, door de Staten-vertaler overgezet als beginsel, kan ook beteekenen heerschappij. Nemen wij deze beteekenis, dan hebben wij er aan te denken, dat er onder de Engelen rangen zijn, waarin God ze naar Zijn welbehagen geplaatst heeft. Zoo hadden ook de gevallen Engelen eene hun aangewezen plaats in den hemel, op welke plaats zij den Heere hadden te dienen; zij hadden een bepaald terrein van werkzaamheid in den hemel.
Zij hebben evenwel niet Willen dienen, zijn niet tevreden geweest met de hun toebedeelde Engelen-heerlijkheid, maar hebben hunne heerschappij verlaten. Vanzelf niet, om lager plaats te verkrijgen; het kan den satan en de met hem gevallen Engelen niet cm minder te doen geweest zijn dan om de plaats Gods.
Het leerstuk van der Engelen val is voor ons niet te doorgronden. Over het ontstaan der zonde, de infectie tot ongerechtigheid, hangt een ondoordringbare sluier, door geen enkele beschouwling minder didht te maken. Ons moet de ontzettende kennis van den vreeselijken val der Engelen ‘genoegzaam zijn. Ook hier past het, dat wij, naar het woord van Paulus (2 Cor. 10 :5), onze gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus, tot welke gehoorzaamheid ook behoort, dat wij het Woord zouden aanvaarden, gelijk het daar ligt. Niet ons begrijpen is het, waarop het aankomt;.het komt aan op het gelooven. Trouwens, wat begrijpen wij in den diepsten grond?
Het feit ligt er, dat een deel van Gods goed-geschapen Engelen Hem de gehoorzaamheid hebben opgezegd, en tegenover de gerechtigheid, die hun eigen was, geplaatst bobben. Gods gezag hebben wij miskend, geloochend; Gods wil verworpen, Gods wijsheid tot dwaasheid verklaard; eigenlijk God als God verworpen. Het doel der zonde is, als God zijn, liever nog zonder of boven Hem zijn!
Een revolutie-poging in den hemel der heerlijkheid!
Wat moet dat geweest zijn voor den Heere? Wat voor de Engelen, die met satan en de zijnen geen gemeene zaak hebben willen maken, om’dat zij bewaard werden door God?
Wij spreken altijd op menschelijke wijze van die dingen; hoe zouden wij het anders kunnen doen? En dan kunnen wij het ons niet anders indenken, dan dat het Hallelujah een oogenblik is onderbroken, wegens de smart door de zonde des satans den bewaarden Engelen veroorzaakt! Maar dan is het ‘Ook, dat wij terstond het Hallelujah nog luider hooren opstijgen in een nog inniger en krachtiger: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!
Slechts een oogenblik, niet meer! Het is in den hemel niet gekomen tot eene worsteling tusschen God en den satan met de zijnen. Wat beteekent Engelenkracht tegenover de Almacht des Heeren? Die Engelen konden zich verheffen, maar in hetzelfde oogenblik werden zij ook uitgeworpen. God heeft ze, de verstoorders van het Hallelujah, niet gespaard, maar ze in de hel geworpen en overgegeven aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden (2 Petrus 2:4).
En sindsdien geen stoornis van het Hallelujah in den hemel!

Niet maar een oogenblik is de storing, die wij wel verstoring mogen noemen, van het Hallelujah buiten den hemel!
De uit den hemel geworpen satan, wel verre van zijn revolutionaire gezindheid te onderdrukken of te verloochenen, heeft den strijd tegen zijnen Schepper voortgezet. De hemel kon het terrein van zijn werkzaamheid niet meer zijn; geen directe aanval kon door hem op God meer gedaan worden. Maar op de aarde leefde het schepsel Gods, dat meer dan de Engelen, immers dienstknechten, dat kind Gods was. Kind van God, niet gelijk de tweede Persoon in het gtoddelijke Wezen, het ongeschapen Woord, eenswezens met den Vader maar kind krachtens schepping, meer nog, krachtens schepping naar Gods beeld. Dat kind was Godes lust en verheuging onder de schepselen. Het was het eenigste wezen op aarde, dat God in de dadelijkheid diende, zich onderwerpende aan Zijn gezag, en daardoor heel de schepping brengende in verheerlijking aan Zijn voeten! Zoo het hem gelukt, dat schepsel te betrekken in zijne revolutionaire ideeën, dan zal Gods werk vernietigd zijn, en voor hemel en aarde de machteloosheid en onwettigheid des Heeren worden tentoongesteld! Hem zal wat God schiep, behooren; als God zal hij heerschen over de schepping en haar Schepper!
En satan is uitgegaan, is het paradijs, den hof van Eden, ingeslopen, en door middel van een slang heeft hij de verleiding tot zonde over den mensch doen komen. Wij weten, met welk gevolg. Gelijk de satan en zijne engelen hun beginsel verlaten hebben, zoo heeft ook de mensch dit gedaan. Het heeft hem niet goed gedacht. God in gedachtenis te houden; het proefgebod, hem door den Heere gegeven, heeft hij overtreden. Tegen de kennis in, die hij bezat, heeft hij zijne oorspronkelijke gerechtigheid verzondigd en zijne heiligheid omgewend in een zich wijden aan den dienst der zonde, den dienst van het eigen Ik.
Het -Hallelu-Jah is geworden een Hallelu-Haadam! Het looft den HEERE is vervangen door een Looft den mensch!
De revolutie van den val heeft het Hallelu-Jah verstoord!
En sindsdien wordt van den mensch, gelijk hij van nature is, geen Hallelu- Jah vernomen. Alles wat hij is en denkt en spreekt en doet staat in het teeken van den zelfdienst, de eigen-Ik verheerlijking!
In allen, rijk en arm, groot en klein, jong en oud, beschaafd en onbeschaafd, en in alle tijden en op alle plaatsen leeft de hoogmoed, die geen liefde kent dan tot zichzelf, en daarom ook geen verheerlijking, dan voor hetgeen dat eigen Ik, op wat wijze dan ook, verder en hooger schijnt te kunnen voeren. Wij behoeven, om het bewijs daarvoor te vinden, niet om te zien naar menschen, die in bijzondere mate als hoogmoedig bekend staan. Is het mogelijk ook ons onvermogen om ons te openbaren gelijk zij, dat ons prikkelt af te geven op hun hoogmoed? Konden of durfden we maar, wij zouden voor hen niet onderdoen! Allen zijn we meer of minder in den vorm gelijk aan Nebucadnezer; wat het wezen betreft, is er geen onderscheid.
Wij buigen voor ons Ik.. wij bewierookten het; wij tooien het op; wij achten het ‘t voortreffelijkste van alle Ikken, die er gevonden worden, en zoo zingen wij mede in het lied der zonde: Hallelu- Haadam!
De geheele mensdhheid gaat er in op! Niemand die God zoekt, ook niet tot één toe! En hoe meer ‘de ontwikkeling der menschheid voortschrijdt, hoe meer de klank van dat Hallel zich versterkt. Miet den aanwas der beschaving wast de zonde in kracht en moedwil. Straks zal het toppunt bereikt zijn, als de mensch der zonde als God zal zitten in den tempel Gods, en aller schepselen Hallel voor zich zal opeischen; als de versatande mensch, op het toppunt van macht over de krachten der natuur, zichzelf zal proclameeren als den eenig wezende!
Daar gaan wij heen, want gelijk het Hallelu-Jah niet kan zijn zonder ontwikkeling, steeds hooger en voller, waartoe het gekomen zou zijn in en door den staat der rechtheid, indien de mensch Ware staande gebleven, zoo is het ook met het Hallelu-Haadam. Het moet voortgaan in ontwikkeling; het staat naar de volheid en — het zal die volheid bereiken, maar om als Hallel voor eeuwig dan te verstommen.
Want het laatste woord is niet aan den mensch en zijne werken, maar aan God en hetgeen Hij werkt!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 November 1930

De Wekker | 4 Pagina's

Hallelujah! (II)

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 November 1930

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken