Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Antwoord aan Ds Rietberg. (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord aan Ds Rietberg. (1)

6 minuten leestijd

In „De Wachter” van 8 Juli komt Ds Rietberg nog eens terug op mijn schrijven in „De Wekker” van 24 juni. Ds R. had geschreven, dat niet wat Geref. predikanten leeren, maar wat de Geref. Kerken in hare belijdenissen leeren maatstaf van beoordeeling moet zijn.
Hiermede was ik het volkomen eens en wees ik Ds R. op de Utrechtsche besluiten van 1905, welke wel de onderstelde wedergeboorte bij den doop minder juist noemen, maar niet als onjuist veroordeelen. Ds R. laat dit aan de lezers van „De Wachter” weten met de bijvoeging:
„Laten onze lezers deze opmerking van Prof. de Bruin nu eens leggen naast de uitspraak onzer kerken in 1905, dan geloof ik, dat ze allen met mij zullen vragen: hoe kan iemand er dat in lezen en dat er uit halen? Alles wat Prof. de Bruin zegt is onjuist.”
Nu zou men verwachten, dat Ds Rietberg hiervoor bewijzen zou aanvoeren, doch dit doet hij niet, maar hij heft alleen de klacht aan, dat wij het fragment uit de acta van 1905 niet overnamen. Tot mijn spijt is dit in de haast verzuimd, doch om niet den schijn te geven, alsof „De Wekker” den moed mist dat fragment aan zijne lezers voor te houden, geven wij eerst hetzelve uit de acta van 1905 der Geref, Kerken te Utrecht,
Dit fragment is echter meer bekend de Wekker-lezers dan Ds R, wellicht vermoedt.
Reeds in Oct. 1905 is het in geheel in „De Wekker” opgenomen, door Ds H. Janssen, den leger-en vloot predikant breedvoerig en zeer juist uiteen gezet. Ook onze broeder J, kwam tot de zelfde conclusie als ik, dat de leer der onderstelde wedergeboorte niet veroordeeld is.
„Wat het 4de punt, de onderstelde wedergeboorte aangaat, verklaart de Synode dat volgens de belijdenis onzer kerken het zaad des verbonds, krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het op. wassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt; dat het echter minder juist is te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen bediend wordt op grond van hun onderstelde wedergeboorte, opdat de grond van den doop is het bew en de belofte Gods; dat voorts het oordeel der liefde, waarmede de Kerk het zaad des Verbonds voor wedergebooren  houdt, geenszins zeggen wil, dat daartoe elk kind waarlijk wedergeboren zou zit omdat Gods Woord ons leert, dat niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn en van Izak gezegd wordt: in hem zal u het zaad worden genoemd (Rom, 8 : 6, 7), zooals in de prediking steeds op ernstig zelfonderzoek moet worden aangedrongen, aangezien alleen wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.
Voorts houdt de Synode met onze belijden staande, dat „de sacramenten niet ijdel of ledig zijn om ons te bedriegen, maan zichtbare teekenen en zegelen van eens inwendige en onzienlijke zaak, door welks middel God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes” (Art, 33) en dan inzonderheid de doop „het bad der wedergeboorte” en „de afwassching der zon- den” wordt genaamd, omdat God „er door dit goddelijk pand en teeken wil verzekeren, dat wij zoo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewasschen zij als wij nog uitwendig met water gewasschen worden”; waarom onze kerk in het gebed na den Doop, God dankt en looft dat Hij ons en onze kinderen door het bloed van Zijn geliefden Zoon Jezus Christus al onze zonden vergeven en ons dat door Zijnen Heiligen Geest tot ledematen van Zijn Eeniggeboren Zoon en alzoo tot Zijne kinderen aangenomen heeft en ons dat met den H. Doop bezegelt en bekrachtigt,” zoodat onze belijdenisschriften wel duidelijk leeren, dat het Sacrament des Doops beteekent en verzegelt de afwassching der zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus, d.w.z. de rechtvaardiging en vernieuwing door den H. Geest als weldaden, die God aan ons zaad geschonken 1) heeft.
Intusschen meent de Synode dat de vraag of elk 1) uitverkoren kind daarom reeds vóór den doop wedergeboren noch op grond van Gods Woord noch grond van de Belijdenis met zekerheid valt uit te maken, zoodat het eisch is zich hierover met groote omzichtigheid uit te laten en niet wijs te willen zijn boven hetgeen ons God heeft geopenbaard.
Intusschen meent de Synode, dat de stelling, dat elk 1) uitverkoren kind daarom reeds voor den doop metterdaad wedergeboren zou zijn, noch op grond van de Schrift noch op grond van de belijdenis te bewijzen is, dewijl God Zijne belofte vervult naar Zijn vrijmacht op Zijn tijd hetzij vóór of onder of na den doop, zoo dat het eisch is zich hierover met groote omzichtigheid uit te laten en niet wijs te willen zijn boven hetgeen Gods ons heeft geopenbaard”.
Bij oppervlakkige beschouwing schijne; deze stellingen de onderstelde wedergeboorte bij den doop te weerspreken, maan wie nauwkeurig leest, zal opmerken, de niet elk uitverkoren kind reeds voor den doop is wedergeboren; dit veroordeelt niet de stelling van Dr Kuyper, „dat in den regel de uitverkoren kinderen vóór den doop zijn wedergeboren”. Immers dat „in den regel” laat opening, dat het met een enkele later geschiedt. Als Ds Rietberg de stellingen nog eens naleest van „de Wachtermannen” van vóór 1905, zal hij opmerken, dat die mannen zich er juist tegen verzetten dat het verbond de weder- geboorte onderstelt, maar dat zij leer den, dat het verbond inhoudt de toezegging van Gods beloften, gelijk ook Zon dag 27 van den Catechismus doet.
Even zoo Hand. 2 : 29. Dat de Synode van 1905 de Neo-Geref, leer over de onderstelling der wedergeboorte bij den Doop handhaaft, zegt de commissie van het rapport zelf met deze woorden:
„Zij oordeelt, dat het noch noodig. noch wenschelijk is voor een Generale Synode om over deze geschillen eene definitieve 1 uitspraak te doen en niet wenschelijk, omdat de hier bedoelde geschillen volstrekt niet raken eenig wezenlijk verschil i) onzer belijdenis, maar alleen loopen over verschil van opvatting, voorstelling en naam”.
’t Ging dus maar over kleinigheden. welke de Wachtermannen als leer-geschillen voorstelden.

1) De cursiveering is van ons. (d. B.)

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1932

De Wekker | 4 Pagina's

Antwoord aan Ds Rietberg. (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1932

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken