Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ons gedenkjaar (XVI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ons gedenkjaar (XVI)

4 minuten leestijd

Hoofdstuk 4.13. Een storm van vijandschap

In hooger beroep gaande bij de Synode stelt Ds de Cock eene memorie op, waarin hij zich verantwoordde en wees op het onrecht hem aangedaan. Eén zijner vrienden zond hem ook eene andere, terwijl Ulrum’s kerkeraad een uitgebreid stuk opstelde, waarop de Synode zich niet eens verwaardigd heeft te antwoorden. De kerkeraad geeft daarin een uitgebreid verhaal van ds Cock’s optreden in Ulrum, sedert zijn komst aldaar in 1829. Zij wijzen op de trouw van hun Herder voor de schapen en Zijn opkomen voor de zuivere leer van Gods Woord, ook op de ringvergaderingen. Zelfs had eens op die ringvergaderingen een predikant zich niet ontzien uit te roepen dat het goddeloos en godslasterlijk was, wat onze Catechismus zeide: „dat God met tijdelijke en eeuwige straffen wrake zou doen beide over de aangeborene en dadelijke zonden.” Door dien tegenstand tegen de Geref. leer was de Cock er toe gekomen om tegen Brouwer en B. Reddingius te schrijven in het boekje: „Verdediging van de ware Gereformeerde leer tegen twee wolven in de Schaapskooi van Christus”. Vervolgens wordt dan heel den loop van het proces aangegeven en bezwaar uitgesproken tegen de veroordeeling van Ds de Cock.
Zoo kwam dus de zaak der afzetting ter Synode. Dat de Synode het vonnis zou te niet doen, verwachtte hij niet. Hij was te zeer doordrongen van de vijandschap der besturen tegen de oude waarheid. Dit werd dan ook bevestigd door het vonnis der Synode op 16 Juli 1834, dat inhield: verandering van de afzetting door het prov. kerkbestuur in een half jaar bedenktijd. Letterlijk verklaarde de Synode: „De Synode verleent den Heer Hendrik de Cock, thans gesuspendeerd (afgezet) predikant te Ulrum, den tijd van een half jaar van heden af, om aan het prov. kerkbestuur van Groningen, zijn berouw en leedwezen te doen blijken, wegens het bedrijf, waaraan, als moetende leiden tot verstoring van de orde en eendracht in de Ned, Herv. Kerk, hij schuldig is verklaard ter zake van de uitgave van het werkje, getiteld „De Evangelische gezangen, gewogen en te licht bevonden, door Jakobus Klok, en het plaatsen eener aanprijzende voorrede voor hetzelve, en om tevens bij hetzelve Kerkbestuur plechtiglijk af te leggen en te onderieekenen de belofte, dat hij zich van nu voortaan, zoo in het openbaar als in het bijzonder, stiptelijk zal gedragen naar al de bestaande kerkelijke reglementen en verordeningen, zullende bij gebreke hiervan, na verloop van genoemden tijd, het prov. Kerkbestuur van Groningen geauthoriseerd (gemachtigd) zijn, hem, namens de Algemeene Synode van zijn dienst als predikant in de Ned. Herv. Kerk geheel af te zetten.”
De afzetting was dus een half jaar uitgesteld en de Cock was in de gelegenheid gesteld om te herroepen. Dat het niet tot herroeping zou komen, wist het prov. kerkbestuur wel te verhinderen, door den gemartelden leeraar zóó te kwellen met uitgestelde beslissingen, dat het half jaar verloopen zou zijn, eer de herroeping zou plaats hebben. De Synode had hem teruggewezen naar het prov. kerkbestuur en dit wees hem weer terug naar de Synode, toen de Cock vroeg om de onderteekeningsacte, welke hij naar besluit der Synode moest onderteekenen. De Cock noemde dan ook dat uitstel een Achitofelsraadslag. Toen de Cock, hierdoor verontwaardigd, op 12 Aug. nogmaals verzocht hem de onderteekeningsacte toe te zenden kreeg hij 29 Aug. bericht, dat het prov. kerkbestuur hem zou ontvangen in zijne vergadering van 2 October. Er waren dan reeds vier maanden van het half jaar voorbij. Ieder gevoelt, hoe zeer deze listige handelingen van het prov. kerkbestuur den zwaar getergden man moesten neerdrukken. ‘t Is alles opzet om te verhinderen, dat de Cock ooit weer het Woord bediende. Dit gevoelde de Cock duidelijk, toen hij antwoord ontving van den secretaris der Algem. Synode, waarin hem gemeld werd, dat al zou hij de voorrede in het boekje van Klok herroepen, wel de afzetting opgeheven was, maar dat hij dan toch nog twee jaar geschorst bleef om zijn schrijven tegen Br. en Br. Reddingius en dat hij dan nog dat werkje zou moeten herroepen, want, zoo werd hem geschreven: Gij hebt op de algem. Synode wel geappeleerd tegen uwe afzetting, maar niet tegen uwe tweejarige schorsing. Deze blijft dus bestaan; zoo schreef de secretaris der Synode J.J. Dermont hem op 18 Aug. 1834 van uit Den Haag. ‘t Werd hoe langer hoe donkerder voor Ds de Cock, maar nu zou de Heere vervullen: „‘t Zal geschieden ten tijde des avonds dat het licht wezen zal.”

d. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1934

De Wekker | 6 Pagina's

Ons gedenkjaar (XVI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1934

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken