Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De theologie van Karl Barth (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De theologie van Karl Barth (8)

6 minuten leestijd

Hoe denkt Barth over het geloof?
Als Barth over het geloof spreekt blijft hij zichzelf weer volkomen gelijk. Felle protesten richt hij tegen alle ervarings en bewustzijnstheoiogie, die het geloof ziet als een bijzondere menschelijke kwaliteit of gave, welke de mensch, ondanks zijn val nog zou hebben overgehouden. In ons bewustzijn zou het vermogen om te gelooven in dien zin aanwezig zijn, dat God de bewustzijns-inhoud slechts heeft op te wekken, te leiden, wat te wijzigen om zoo daadwerkelijk tot gelooven te komen.
Barth wil in ‘t minst niet van een aanknoopingspunt als voorbereiding van het geloof weten, natuurlijk niet zooals het pelagianisme dat wil als een positief gegeven in den mensch, maar ook niet als men dat z.g. aanknoopingspunt wil zoeken in het negatieve, als een een zekere leegte, welke God van een bepaalden inhoud vorziet.
Er gaat volgens Barth bij den natuurlijken mensch geen mogelijkheid om te gelooven aan het geloof vooraf.
Er is geen sprake van een z.g. „rest” van het beeld Gods, dat als aanknoopingspunt voor het Woord Gods dienen kan. Men zou dit leerende, de mogelijkheid om het Woord Gods te hooren dus te gelooven in de handen leggen van den mensch zelf. De opgestane Christus vond op den dag Zijner opstanding te Jeruzalem geen openstaande deuren bij de discipelen, neen Hij ging door gesloten deuren!
Wil Barth dus niets weten van eenaanknoopingspunt van ‘t geloof in den onwedergeboren mensch, zooals zijn medestander Brunner leert, hij verwerpt evenzeer de gedachte, dat dit vermogen aanwezig is in den wedergeboren mensch.
Geloof is geen vermogen maar een daad, en dan niet zoozeer een daad der ziel als wel een daad Gods, Een soort schepping Gods, welke zich gedurig herhaalt in de ziel des menschen. n.l. in de oogenblikken van de groote doorbraak Gods.
Wat verstaat Barth hieronder?
Wij hebben gezien, dat Gods genade in Christus als vertikale lijn het vlak van onze horizontale lijn snijdt, doorbreekt. Dat snijpunt is de aanraking Gods met den mensch en dat is tegelijkertijd onze nood, verlegenheid en verlorenheid. Dat moet de mensch nu erkennen en daarin moet hij zich als ‘t ware werpen. Dat te doen is gelooven.
Een sprong der ziel in wat Barth noemt „Hohlraum” (ledige ruimte).
Dat is dus volkomen overgave aan dat ledige, waaraan zich de eeuwige God tot inhoud geeft. Daardoor aanvaardt men het heilsfeit, verlaat zich als een verlorene op Christus, dus gelooft, al strijdt alle ervaring en gevoel daartegen, dat men gered is. „Is dit dan geen stuk zielservaring, geen zekere belevenis in het leven van den mensch?”
zoo zouden we aan Barth willen vragen.
En dan antwoordt hij daarop: „zeker dat is het ook, maar ‘t probleem der menschelijke subjectiviteit moet hier uitgeschakeld.” Dat wil zeggen: „men mag nooit spreken van een werkelijk nieuwe, veranderde en daardoor geloovig geworden mensch, die „naar boven krachtens een’ soort geloofs-vermogen open staat”, want inzake het geloof” is de relatie tusschen God en ons zoodanig in Gods hand, dat ‘t bij ons eigenlijk nooit zal komen tot een werkelijk bezitten en hebben.
Ook de z.g. zekerheid des geloofs ligt niet in onze, doch in Gods hand.
Ze wordt niet een soort kwaliteit van den geloovigen mensch, een zaad op den bodem van zijn ziel, een geschonken vermogen, dat uiteraard tot het doen van geloofsdaden komt; want God is en blijft vrij. Wie dan ook het geloof als actie der ziel God achterna laat wandelen, met God schier op voet van gelijkheid laat omgaan, handelt volgens Barth louter vleeschelijk, beoefent feitelijk niet „het gelooven” roemt als een valschelijk geruste in een bezit, dat hij niet heeft, loochent de distanc tusschen God en zichzelf en vergeet, dat God de gansch andere is, die door zijn vrijheid of goddelijk voorbehoud ook niet gebonden is aan den geloovige.
Barth spreekt dan ook liever niet over den „geloovige” (mensch met het vermogen des geloofs) doch liefst over den „geloovende mensch bij wien het transcentaal gebeuren Gods momenteel inslaat.
Ongetwijfeld is in deze voorstelling van het geloof veel wat onder ons bekoort. Dat het stellen van een geloofsvermogen tot de gedachte van de sluimerende wedergeboorte kan leiden (Paulus van der jeugd aan wedergeboren dus in het bezit van geloofsvermogen, komt op den weg van Damascus tot het beoefenen van de geloofsdaad, daar wordt de onbekeerde wedergeborene dan bekeerd) heeft de geschiedenis van kerk en theologie m.i. duidelijk bewezen.
Van een z.g. sluimerende wedergeboorte zal, Barth wel niets willen weten. Toch moeten we ons uit reactie tegen een door ons bestreden leer-voorstelling ook niet laten verleiden Barths geloofsbegrip zoo maar te aanvaarden. Wij spreken ook van een geloofsvermogen, in de wedergeboorte geschonken.
Wel is dit vermogen niet een apart vermogen dat bij de bestaande zielsvermogens wordt toegevoegd, doch zeker is het te noemen de herschepping van verstand en wil, de ontvangenis van den nieuwen mensch. die naar God geschapen is.
Zooals het spraakvermogen grondslag vormt voor het spreken, ‘t gezichtsvermogen voor het daadwerkelijk zien, zoo vormt ook het geloofsvermogen grondslag voor het daadwerkelijk gelooven.
Natuurlijk willen we van dit z.g. geloofsvermogen niet te veel maken. Wij zeggen niet, dat een mensch uit kracht van dat z.g. geloofsvermogen nu uit en van zichzelf komt tot het in werking zetten van dat vermogen. Voor elke geloofsdaad, hoe klein, hoe schuchter ook heeft hij noodig de directe bewrochting des H. Geestes. Daarom blijft de meest geoefende christen een machtelooze en diep afhankelijke zondaar. Met Barth durven we gerust zeggen, dat ons gelooven niet rust in onze hand, doch in die van den Werkmeester des geloofs, de H. Geest. Maar als we het bestaan van opgemeld vermogen in Gods kinderen loochenen, zouden we tot de conclusie moeten komen, dat een geloovige, wanneer de daad des geloofs afwezig was, (Davids zonde. Petrus verloochening, Thomas twijfel) geen geloovige meer zijn zou, doch wederom een on-wedergeboren mensch.
Nu zegt Barth dat ook niet, omrede hij zegt, dat God hem altijd rekent in Christus, maar wij zeggen, dat ‘t zaad des geloofs altijd in hem blijft, ook al staat zijn ziel niet altijd naar boven open.
Jezus zegt tot Petrus: Ik heb voor u gebeden, dat, uw gelooven?, .neen, dat uw geloof niet ophoude!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1936

De Wekker | 4 Pagina's

De theologie van Karl Barth (8)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1936

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken