Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schriftuurlijk kerkbesef en moderne religieuse-gemeenschapszin. (5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Schriftuurlijk kerkbesef en moderne religieuse-gemeenschapszin. (5)

6 minuten leestijd

Thans gaan wij over tot behandeling van het Tweede Hoofdstuk: n.l.

II. Wat is moderne religieuze gemeenschapszin?
Hieronder versta men de ,,Trieb", (de zucht en het streven) naar gemeenschapsleven, naar het hebben van een kring, een groep, een vereeniging, een gezelschap, een club of hoe ge 't noemen wilt; welke gemeenschapszucht dan gevonden wordt bij al die moderne bewegingen, die ten deele antikerkelijk, ten deele buitenkerkelijk zijn; maar die wat gaarne voor religieus willen aangezien worden.
Men kan al deze niet-kerkelijke bewegingen weer indeelen, hoofdzakelijk in twee groepen.
1e. de nog meer of min christelijk getinte. — Ik noem slechts: Oxford groepen, Heilsleger; en tal van diergelijke organisaties in den nieuwen tijd.
2e. de organisaties der z.g.n. neo-religiebeweging; welke weer uiteenvallen in tallooze meer of min mystiek getinte corporaties; maar waar de Christus van Golgotha niet meer erkend wordt in zijn soteriologisch, d.i. zaligmakende borgtochtelijke beteekenis.
Van deze tweede soort met name geldt, dat men in de z.g.n. „binding" het wezenskarakter der religie zoekt. Niet de enkeling maar de corporatie is het eigenlijke subject der religie; en de sfeer, waarin religie zich uit; ja waarin zij haar inhoud heeft.
Religie zou eigenlijk, volgens de nieuwe opvatting, d.i. volgens den modernen religieus-getinten tijdgeest, ontstaan en bestaan in die binding. Binding, band, bond, het saamgetweende, zóó dat niets op zich zelf bestaat, — zie dat is dan de kern, het wezen van religie. Religie duikt als uit die „binding" op; gelijk zij er zich ook in „stolt," ja zij is het eigenlijk zelf. Hier voelt men al dadelijk, dat wij niet meer staan op openbarings standpunt, maar dat wij zijn verzeild in pantheïstische wateren.
God bestaat dan niet op en in en uit zich zelf; maar alle dingen, geestelijke en stoffelijke zijn God zelf; d.w.z. daarin geeft God zichzelf gestalte, ja komt er als het ware in tot zichzelf. Het is de wordende God in de alwording; welk worden het wezen des zijns zou zijn. En naar deze pantheïstische voorstelling is religie de beleefde binding, de doorvoelde en door ons heen functionneerde gezamenlijkheids-aanschouwing met de doorvoeling, en de uitleving van dit „al". Het zich één weten in en met dit „al", het zich bewust bewegen in ons van dit „al", de reflex van stemming en devotie des afhankelijken (en toch weer intregreerend) deel des zijns, des geheels, en des „Als"; — ziedaar de religie, geschouwd naar haar idee. Dit is dan zoo ongeveer de mentaliteit, waarin wij ons moeten trachten te verplaatsen, en welke de sfeer is, waarin de nieuwe, de moderne — religie — mensch wil ademen.
De lezer vergeve ons deze min of meer wijsgeerige beschrijving. Want deze nieuwe religie is nu eenmaal een philosophie, maar die daarin metéén religie wil zijn; religieus getinte philosophie. Men gebruikt in haar literatuur daarvoor het woord „binding".
Dus niet maar binding, band, gemeenschap tusschen de religieuze groep èn God; als twee; — maar pantheïstisch gedacht: alles, tot God incluis, ligt er in ingebonden".
Het wordt dan eigenlijk God, die religie beoefent. God die alrée tot zichzelf komt in het voorportaal der philosophie, welk voorportaal religie heet. Het is de geest van Hegel, zooals de meer ingewijde zal bespeuren. Met name in Duitschland in de nieuwe religie-beweging van het nieuw-Germanendom, herkennen wij dezen geest en beweging. In het diepst der zaak is het Duitsch fascisme geworteld in deze fataliteit, waarbij men (o.i. niet geheel ten rechte) op Eckhardt zich beroept, gelijk deze in zijn beschouwing over de verhouding tusschen ziel en lichaam in soortgelijke mentaliteit denkt.
Geen wonder, dat deze moderne geestesstrooming met haar kwasi-religie, de Kerk naar bijbelsche leer geheel prijs geeft; of op de manier van Hegel haar nog slechts een plaats inruimt voor de voorshands nog wijsgeerig-dakloozen; de schare de kudde (stijl Bolland) die nog op stal staat. — En waaraan het christendom vaak (zij het soms onbewust en onwillens, nolens volens), negatief meedoet, voor zoover men het schriftuurlijke Kerkbegrip niet consequent getrouw bleef. In allerlei groepen en secten en bewegingen. Van af het Anabaptisme over heilsleger en Oxfordgroep tot religieus-socialisme toe. — Het zou ons te ver voeren, om dit alles wéér in verbijzondering uit te werken.
Het begrip Kerk wordt in heel deze nieuwe-religiebeweging eigenlijk minderwaardig en onwaardig. In naam van religie wordt eigenlijk religie te niet gedaan. Want de idee dezer nieuwe religie is eigenlijk niet religieus maar wijsgeerig. Wijsbegeerte dat is dan eigenlijk religie. Van zelf moet dan het antiek Kerkbegrip er aan, onder welke schoonklinkende voorstelling ook. Zooals wij zeiden is Hegel hier de profeet onzer dagen; zooals reeds bij Kant dit is vóórgedacht en ingeleid.
Kant meende, dat Kerk een voorbijgaande idee was. Hij onderscheidde daarbij n.l. kerk als zichtbare en onzichtbare. Maar hoe? Kerk noemt hij het volk Gods (op zijn manier dan gedacht). Maar dat Gods-volk is onzichtbare kerk naar zijn idee; en zichtbare kerk is dat volk naar zijn werkelijkheids-verschijning met een geloofsleer enz. enz. Doch dit laatste is maar voorloopig en moet overgaan in het onzichtbare, dat is: het moet redelijke, zedelijke religie worden als een rijk Gods op aarde, en dan valt kerkbegrip eigenlijk voor goed weg. Dit leert Kant.
Hegel zette de kroon er op.
Volgens hem heeft de kerk evenzeer slechts een voorbereidende en voorbij-gaande beteekenis. De zedelijke idee, waaruit alles moet leven, en waarvan alles in het eind belichaming zij; deze wordt eerst ten volle verwezenlijkt in den Staat. En de kerk heeft alleen en zoolang recht van bestaan, als de Staat (nog) niet ten volle aan zijn idee beantwoordt. Ge gevoelt, dat op dit standpunt voor de kerk als een instelling van Christus, en schepping des Heiligen Geestes, en vrucht der verkiezende genade, plaats noch zin overblijft.
Men zie en bestudeere in dit licht nu eens wat thans in Europa, in Duitschland met name, onder fascistischen invloed plaats vindt. Fascisme, uit Hegeliaansch princiep, kan geen kerk in Schriftuurlijken zin verdragen, En dat niet wegens één of andere leer, óf gedraging, óf wegens verzet der kerk; neen dieper: maar omdat Kerk als Kerk hier geen zin meer behoudt.
Fascisme en Kerk; Hegel en Christus sluiten elkaar niet in, maar in princiep uit.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1938

De Wekker | 4 Pagina's

Schriftuurlijk kerkbesef en moderne religieuse-gemeenschapszin. (5)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1938

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken