Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tweerlei heiligheid in Christus (10)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tweerlei heiligheid in Christus (10)

5 minuten leestijd

Wanneer de classis Londen de subjectieve heiligheid bij onze kinderen wil aannemen naar het oordeel der liefde, zoo is het opmerkelijk, dat zij op niets anders zich beroept dan op den tekst in Matth. 19 :14.
Al de andere teksten, waar wij ons dikwerf zoo druk mee hebben gemaakt, als 1 Cor. 7 : 14 en Rom. 11 : 16—17 lezen zij in den breeden zin van een verbondsheiligheid die alle bondelingen geldt.
Alleen Matth. 19 : 14 maakt hierop een uitzondering. Inderdaad is hier sprake bij verklaring van dit Schriftwoord van een oordeel der liefde, waarmede de Kerk het zaad des verbonds geheiligd kent door wedergeboorte en heiligmaking des Geestes, verzegeld in den doop.
Nu zijn wij tot de slotsom gekomen, dat de Classis te Londen en ook onze Gereformeerde dogmatici als Calvijn en Ursinus e.a. dit oordeel der liefde altijd als een polemisch element gebruiken tegenover de wederdoopers. Wij zijn in deze gedachte versterkt juist door het aanvoeren van dezen éénen tekst uit het Mattheus Evangelie. Daar lezen wij het bekende woord: „Laat de kinderen tot Mij komen, derzulken is het Koninkrijk der hemelen”.
Wanneer wij nu de idee der Reformatie willen kennen bij zulk een Schriftwoord, zoo zullen wij het beste ter school gaan bij Calvijn. Deze heeft in Zijn Institutie hierover zeer breed gehandeld. Wie dit kan en wil nalezen, sla op Boek 4 hoofdstuk 16, en hij zal een zeer breed betoog vinden om den kinderdoop te fundeeren. Maar in zijn Commentaar op Mattheus heeft Calvijn dit woord rechtstreeks gelanceerd tegen de wederdoopers. Hieruit blijkt, dat onze Vaderen wel van een oordeel der liefde spraken en van een inwendige genade bij onze kinderen, maar dat dit geschiedde om den wederdoopers het argument te ontnemen, dat kinderen niet gelooven konden en mitsdien niet gedoopt moesten worden.
En nu heeft ook Calvijn juist deze tekst, Matth. 19 :14, als bewijsmateriaal gekozen om op dit bepaalde punt den wederdoopers den mond te snoeren.
In zijn Commentaar op Mattheus lezen wij: Van de genade der verlossing nu den kinderlijken leeftijd uit te sluiten, zou groote wreedheid zijn, en daarom houden wij, zonder roekeloosheid, den Wederdoopers dit als een schild tegen hun aanvallen voor. Zij weigeren, den doop aan de jonge kinderen, omdat dezen niet in staat zijn de verborgenheid, die daarin verzegeld wordt, te bevatten. Wij echter werpen hun tegen, dat, wanneer de doop een onderpand en afbeelding der verlossing van de zonden uit genade, en tevens van onze panneming door God is, men dien dan niet weigeren moet aan de kleine kinderen, die door God aangenomen en in het bloed zijns Zoons gewasschen worden”.
Hieruit wordt duidelijk, dat zeer sterk polemisch wordt geredeneerd door Calvijn, en is nu eenmaal regel in de polemiek, dat apologieën nog geen leersysteem zijn, en dat wij er altijd rekening mede moeten houden, dat de aard van de polemiek zich steeds richt naar de oppositie.
Wie dit zou vergeten, zou bijv. met den Bijbel in de hand kunnen leeren, dat wij uit de werken gerechtvaardigd worden. Zegt de Apostel Jakobus niet, dat Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, als hij Izaak heeft geofferd. Maar wie maar eenigszins thuis is in de Heilige Schrift, en weet, hoe Jakobus positie moet kiezen tegen een bepaalde strooming in zijn dagen, begrijpt aanstonds, dat hier geen leersysteem wordt ontwikkeld, maar veeleer een aparte positie wordt bestreden. Zoo gaat het nu ook bij zulke teksten, als Matth. 19 : 14. Hier ontwikkelt Calvijn niet zijn verbondsleer, maar hier verdedigt hij zeer sterk tegen de wederdoopers de subjectieve zijde van den doop, die ook in de kinderen kan aanwezig zijn. Het is hierom dat Calvijn in dit gedeelte nog een vergelijk maakt tusschen de kinderen en de volwassenen. Wij hooren tegenwoordig nog al eens, dat, wat van de volwassenen geldt, ook van de kinderen moet gezegd worden. Calvijn is het hiermede niet eens en zegt: „Dat wij- op geen andere wijs met God verzoend en erfgenamen van Hem worden, dan door het geloof, dat stemmen wij ten opzichte van de volwassenen toe, maar dat het ten opzichte van de jonge kinderen onwaar is, bewijst deze plaats.”
En zoo wijst Calvijn er vervolgens op, hoe onjuist het is, dat de Wederdoopers zich niet naar dit Schriftwoord willen schikken, als Christus toch uitdrukkelijk zegt, dat derzulken is het koninkrijk der hemelen. Letterlijk zegt Calvijn: „Want dat de we derdoopers de jonge kinderen hier buitensluiten, terwijl zij hun hier de eerste plaats moesten geven, is onzinnig”.
Zoo heeft Calvijn en met hem andere Reformatoren er ons steeds aan herinnerd, dat de subjectieve heiligheid bij de kinderen niet uitgesloten behoeft te worden, doch dat dit geen leer, geen systeem, geen bouw voor de verbondsbeschouwing kan noch mag zijn. Als wij dit maar goed onder de aandacht houden, zullen wij nimmer een leer van subjectieve heiligheid aanvaarden als regel bij den doop van de kinderen des verbonds.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1945

De Wekker | 4 Pagina's

Tweerlei heiligheid in Christus (10)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1945

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken