Bekijk het origineel

Naar de oorlogsfilm?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Naar de oorlogsfilm?

5 minuten leestijd

Naar de oorlogsfilm?
Over deze thans actueele vraag schrijft G. te A. Inderdaad is het ook onder ons een feit, dat velen een gang naar de bioscoop ondernomen hebben om een oorlogsfilm te zien. En daaronder zijn er heel wat, die er anders niet aan zouden denken een voet in de bioscoop te zetten.
Zij hebben daarbij aldus geredeneerd: In de film op zichzelf schuilt geen kwaad en de bioscoop is een gewoon gebouw. De oorlogsfilm laat ons eens wat zien van wat we anders hoorden en lazen van de geweldige prestaties van de millioenenlegers in dezen oorlog, of ze laat ons meeleven op de spanningsvolle tochten, die onze zeelieden gemaakt hebben in het belang ook van de bevrijding van ons land. Of we daarvan nu de foto’s in „Kijk” onder de oogen krijgen of we gaan de levende foto’s daarvan zien in de bioscoop, dat maakt toch zeker niet zoo’n groot verschil.
Er schijnt tegen deze redeneering heel weinig in te brengen te zjjn. Dat men zoo spreekt kan ik dan ook wel begrijpen.
Toch ben ik van meening, dat de dingen dan wel wat heel erg eenvoudig voorgesteld worden.
Immers bij een dergelijke redeneering wordt de oorlogsfilm al te veel losgemaakt uit het geheel van wat met de bioscoopen in verband staat.
Het feit wil nu eenmaal, dat de dingen in de wereld niet zoo op zichzelf staan als een redeneering gelijk bovenstaande wil doen gelooven.
Hadden Daniël en zijn vrienden op deze wijze geredeneerd dan hadden ze heel wat kunnen opeten van wat hun van de koninklijke tafel werd voorgezet in Babel. Toch deden ze dat niet, omreden ze de zaken wat anders zagen.
De oorlogsfilm in de bioscoop is een onderdeel van het geheel van de cultuur, waarbij de mensch van heden leeft.
En die bioscoopcultuur staat louter en alleen in dienst van den geest van dezen tijd. De schare, die zich avond aan avond voor het witte venster neerzet, wordt geheel beheerscht door dezen geest, om niet te zeggen dat ze er slachtoffer van is.
Drie trekken zijn er in dien geest des tijds, die door de bioscoop worden aangekweekt en gevoed.
Allereerst is dat de zucht naar weten. Weten liefst door zien. Men wil de naakte rauwe werkelijkheid kennen tot op den grond. Al doet die werkelijkheid ook huiveren en jaagt ze hem den angst op het lijf, men wil zien. Aangezicht aan aangezicht wil men staan voor de daemonische werkelijkheid, van deze vreeselijke wereld. Een hartstocht naar het geweldige heeft de massa aangegrepen.
Daarbij is er een zucht naar romantiek. Meebeleven wil men de gebeurtenissen, die de wereld in spanning hielden. Vooral als men daarbij in een donkere volle zaal rustig in een gemakkelijken klapstoel kan zitten. Men kan dan „genieten” van een tankslag en een bombardement of de torpedeering van een kruiser. Zoo krijgt de bandelooze fantasie voedsel en kan verder bouwen aan de voorstellingen, die men koestert omtrent de geniale wijze, waarop de menschheid van heden zichzelf kan afslachten in de meening dat ze het alleen den vijand doet.
Bovenal komt de bioscoop tegemoet aan de begeerte naar de vlucht uit de werkelijkheid. Het leven zelf is hard en vaak bitter. Men wil deze ontvluchten in een andere sfeer. Een geestelijke verdooving wil men. Welnu de bioscoop brengt deze. Zij doet een andere wereld leven. Een wereld van weelde en schittering; een wereld waar deugd en ondeugd stuivertje wisselen, waar de dood een verlossing is en „liefde en ontucht” in elkaar overgaan.
Ook al weet die schare dat het in werkelijkheid slechts een paar honderd meter celluloid is en lichteffect, men voelt zich opgebeurd en gaat met meer „moed” straks naar zijn eigen koude huis en kruipt in zijn schamele bed.
Dat is in werkelijkheid de bioscoop, een instituut dat de moderne mensch al verder op het pad van zijn geestelijke ellende voert en hem almeer ontevreden maakt over deze harde wereld. En eenige dagen later moet hij er al weer eens heen om wat „opgekikkerd” te worden.
In het mooie evangelisatieblad „De Kruisbanier”, dat in België door de kleine groep Protestanten aldaar uitgegeven wordt, werd onlangs de bioscoop genoemd „de kerk van den duivel”. En ik geloof dat dit juist gekarakteriseerd is.
Het behoeft geen breed betoog dat wij op geen enkele wijze dit zielsbedervend bedrijf moeten steunen. Het heeft ons volk kwaad genoeg gedaan.
Ja maar, zegt iemand, ik ga alleen maar als er een oorlogsfilm is. Dat kunt u wel zeggen als u er heengaat, maar als men u er ziet heengaan zegt men niet: hij gaat naar die of die film, maar: hij gaat naar de bioscoop.
Waant ge u misschien sterk in den trant van 1 Kor. 8, lees dan ook eens 1 Kor. 8 : 10—13. Onze houding als christenen vordert dat wij ons afzijdig houden van de bioscoop in haar huidigen vorm.
Deze houding past ons als ouderen en die moeten we onze jongeren bijbrengen. En voor deze positieve veroordeelende houding hebben we het „genot” van het zien van een oorlogsfilm graag over.
Deze vraag of wij een oorlogsfilm zullen gaan zien wordt m.i.z. niet beantwoord door argument tegen argument af te wegen.
Wij hooren niet in de bioscoop. Wij niet en onze kinderen niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1945

De Wekker | 4 Pagina's

Naar de oorlogsfilm?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1945

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken