Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Synodale acta

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Synodale acta

7 minuten leestijd

Onjuist en ondeugdelijk!
Zoo luidt de Synodale karakteriseering van de „pacificatie” formule 1905.
Wij nemen als Christelijke Gereformeerde Kerk van deze uitspraak met aandacht kennis.
Wij achten dit een typeering, die eenigermate vertolkt, wat steeds in den boezem der Christelijke Gereformeerde Kerk heeft geleefd bij het beoordeelen van deze leeruitspraken. Jaar en dag heeft ons bezwaar gegolden de tolereering van een leer, die in strijd was met de Schrift en de confessie. Van daar, dat wij de uitdrukking „onjuist en ondeugdelijk” wel wat zwak vinden tegenover een leer, die getoetst aan het bezwaarschrift van prof. Lindeboom, op zijn minst moest luiden: onschriftuurlijk en ongereformeerd. Wij hadden zulk een kenschetsing liever gezien, dan wat nu de Generale Synode der vrijgemaakte Kerken heeft beslist.
Niet, dat wij niet dankbaar noteeren, dat de oogen aan die zijde zijn opengegaan voor de waarheid, die zoo klaar in het protest van prof. Lindeboom is aangetoond. Maar nu deze Kerken met zooveel klem opkomen, voor hetgeen Lindeboom gedaan en geschreven heeft, nu zij blijken al meer te willen handhaven, laat ons zeggen, de oude A. richting, nu hadden wij toch mogen verwachten, dat in de Synodale uitspraak er nog wat krachtiger geluid zou gehoord zijn, dan wat thans door de Synode is beslist.
Wij begrijpen ten volle, dat zulk een positieve klank voor deze Kerken tevens een veroordeeling inhoudt van eigen standpunt, gedurende tal van jaren. Maar ten slotte moeten wij niet, allereerst aan de waardeering van eigen positie denken, maar aan de Waarheid, ook al moeten wij dan door die Waarheid veroordeeld worden. Wie hier door de Waarheid veroordeeld wordt, zal ook door de Waarheid gehandhaafd worden, wanneer hij aan haar zijde treedt.
Een pacificeerende verklaring moge aannemelijk lijken, zij is het niet en mag het ook niet zijn.
Dit is de reden geweest, waarom de Christelijke Gereformeerde Kerk nooit kon komen tot den stap om over een mogelijke samenspreking te denken, laat staan een mogelijke vereeniging te onderstellen.
Deze kerken hebben zich altijd door het beginsel laten leiden, dat in de Gereformeerde Kerk geen leer gedoogd mocht worden, die „onjuist en ondeugdelijk” liever nog onschriftuurlijk en ongereformeerd moet worden geacht. Wanneer de vrij gemaakte Kerken dit kunnen inzien, zullen zij ongetwijfeld het standpunt der Christelijke Gereformeerde Kerk niet slechts als dragelijk kunnen aanvaarden, maar als het alleszins schriftuurlijk standpunt moeten erkennen.
Wij zijn hier inderdaad gekomen aan een zeer teeder punt, dat niet minder raakt dan het bestaansrecht der Christelijke Gereformeerde Kerk tegenover een kerkgroepeering, die jaar en dag ons heeft miskend en die thans blijkbaar op haar wegen wil terugkeeren. Wanneer dit moge zijn, zullen wij toch allereerst duidelijkheid verkrijgen over deze onze houding en over het jaar 1892, dat niet losgemaakt kan worden van een dogmatische positie, als hier in geding is. De Christelijke Gereformeerde Kerk in 1892 sprak niet van „onjuist en ondeugdelijk”, maar dat zij niet voor gereformeerd kon erkennen, wat door de Kuyper-richting in die dagen werd gepropagandeerd. Het Herautnummer 666 is algemeen bekend, en wat in brochures en andere werken was geschreven gaf voldoende bewijs voor een afwijking in de Gereformeerde leer.
Als waarlijk de vrijgemaakte kerken ernst maken met art. 31 D.K.O. — en wij mogen niet anders en wij willen niet anders ons voorstellen —, zoo moeten zij te beter de positie van de kerken in 1892 verstaan, die juist kerkrechtelijk gesproken, om reden van art. 31 D.K.O., niet konden treden in een kerkverband, waar dit artikel van de Dordtsche kerkorde ten eenemale werd miskend. Het zou in strijd met het kerkverband geweest zijn, als wij niet gehoor gegeven hadden aan de beslissing eener meerdere vergadering, als de Generale Synode was, wanneer juist niet art. 31 ons belette hieraan gevolg te geven. Een leer, die naar het bezwaarschrift van prof. Lindeboom een dwaalleer moet worden genoemd, is voor den echten Gereformeerden belijder een onherroepelijk halt op den weg eener mogelijke vereeniging.
Art. 31 D.K.O. is niet eerst van beteekenis geworden in den jare 1940, maar was het reeds veel eerder, en zeker ook in het jaar 1892.
Een beroep op mannen als prof. Lindeboom, die immers met de vereeniging zijn meegegaan, is, naar het beginsel geoordeeld, slechts een verzwakking niet van het beginsel, maar van den man, die het beginsel heeft te verdedigen. Hier kunt ge vinden, dat er een groot verschil is tusschen het stellen van een beginsel, en het beleven van een beginsel als een verschil is tusschen woord en daad.
Eerst na zooveel jaren zijn de volgelingen van prof. Lindeboom op hun schreden teruggekeerd, en hebben blijkbaar ingezien, dat er toch fouten gemaakt zijn, die, aan het beginsel getoetst, niet goed te praten zijn.
Zeker, deze volgelingen hebben nog niet in principieele bepalingen zich uitgesproken, het is nog wat vaag, als van „onjuist” en „ondeugdelijk” wordt gerept, als de Synode zegt, dat deze verklaring niet meer voor haar rekening wordt genomen, als van een „pacificatie-formule” wordt gesproken, maar met dat al is men overtuigd, dat hier beginselen aan de orde zijn, die herzien moesten worden.
Het zijn dezelfde beginselen, als welke in het jaar 1892 ons opgeroepen hebben naar art. 31 D.K.O. te handelen, en daarom zullen deze vrij gemaakte kerken hebben te overwegen, of haar wending op dit pad nog niet wat principieeler tot uiting moet komen, en hoe principieeler haar positie zal worden, hoe klaarder het aan den dag zal treden, dat de Christelijke Gereformeerde Kerk in het jaar 1892 een rechtspositie voorstond, die haar bestaan en haar beteekenis in kerkgroepeering als wettig bepaalde.
Neen, het is ons heusch niet te doen om gelijk te hebben, om gevierd te worden. Laat deze gedachte zoo ver mogelijk weggebannen worden. Wanneer wij treden op de heilige erve, is het niet een zaak van ons, waarin gelijk of ongelijk het hoogste en het laatste woord willen hebben. Het gaat om de heiligheden des Heeren, en het raakt de Waarheid, die ons oproept om met haar te staan en om harentwil smaadheid te dragen.
Wanneer dit door de vrij-gemaakte kerken kan worden toegestemd, wanneer deze kerken al meer tot de overtuiging kunnen komen, dat ons staan in 1892 niet was willekeur uit sectarisch drijven, gelijk maar al te dikwerf ons voor de voeten is geworpen, wanneer vervolgens deze Kerken naast deze kerkrechtelijk-dogmatische bezinning, ook de dogmatische beleving tot voorwerp van haar nauwgezet onderzoek maakt, wanneer bovenal Gods Geest, zonder Wien geen toekomst in dezen daagt, geen saambinding in dezen kan worden verwacht, ons verrijkt met Zijn licht, ons vereent door Zijn kracht ons saambindt in de liefde van Christus, zie, dan zal het beginnen te dagen, waar wij nu nog veel wolken en donkerheid aanschouwen.
Bij dit alles moge de Christelijke Gereformeerde Kerk verstaan, dat zij niet klaar is met een gemakzuchtige houding in dezen, dat zij niet zich verhoovaardige met „des Heeren tempel is deze”, maar dat zij haar roeping te meer bewust worde, nu zij als kerk van Christus voor. zoo gansch andere verhoudingen komt te staan, dan ooit te voren.
Het is ons nog niet geheel duidelijk, of velen in de Christelijke Gereformeerde Kerk wel ten volle beseffen, voor welk een positie wij als Kerk staan, die nimmer met een afwijzend gebaar, maar met een welmeenende houding moeten treden tegenover hen, die naar ons vragen.
Wie weet, of er niet onder mijn lezers zijn die mij al verdenken om dezer woorden wil. Het zij zoo, maar de Acte van Afscheiding is er ook nog, en wie in het voetspoor van de Vaderen der Afscheiding wandelt, mag zich toch niet in een slecht gezelschap wanen.
Aan ons slechts het waken en bidden, en aan den Heere de uitkomst dezer paân.
A. (Apeldoorn)  S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1947

De Wekker | 4 Pagina's

Synodale acta

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1947

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken