Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wat doen wij in de kerk (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wat doen wij in de kerk (8)

6 minuten leestijd

Als de Wet Gods voorgelezen wordt, spreekt de Heere ook tot ons en hebben wij ook in heiligen ernst te luisteren. De Heere houdt ons Zijn spiegel voor, plaats ons voor Zijn Wet, die de kenbron der ellende is, houdt ons die Wet voor als regel der dankbaarheid. Maar wat doen wij dan? Luisteren wij dan met een biddend hart? Smeekt gij dan, onbekeerde zondaar, om rechte zelfkennis? Bidden wij allen dan om meer en meer te leeren verstaan onzen staat des doods, opdat wij den Christus waarlijk noodig hebben en door het geloof vast mogen omhelzen? Wie zichzelf recht leere kennen bij het licht des Geestes, en steeds dieper zijn verlorenheid peilt, leert ook steeds meer en klaarder verstaan, hoe dierbaar de Heere Jezus is voor een verloren mensch. Ja, dan doen wij wat in de kerk; dan roepen wij steeds levendiger uit: Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen? Maar dan juichen wij, met Paulus, ook steeds'levendiger: Ik danke God, door Jezus Christus, onzen Heere: Gelukkige gemeente, gelukkige ziel, die dit heilgeheim verstaat, en zoo dikwerf mag bezig zijn in de kerk. Die belijdt, als zij zich spiegelt in die goddelijke Wet: Heere, ik ben een groot beest! Maar die zal ook, in het heiligdom ingeleid, zingen van Gods rechterhand, die leidt tot de eeuwige heerlijkheid. En weten wij ons verlost van den vloek der Wet, dan is het betrachten van die Wet ons vermaak op het pelgrimspad naar het hemelsche Sion. Allen, die vrienden en metgezellen zijn van Gods volk, zoeken te leven naar het bevel des Heeren en zingen van harte mee: Wat vree heeft elk, die Uwe Wet bemint! Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten. Ik, Heer', die al mijn blijdschap in U vind, hoop op Uw heil, met al Uw gunstge-nooten; 'k doe Uw gehoon oprecht en welgezind; Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
De gemeente doet ook belijdenis van haar geloof. Let er ook dan op, dat de gemeente belijdt. Wordt hier wel goed aan gedacht? Misschien dat velen nog meenen: dat zou zoo wel zijn, als direct na de voorlezing van die geloofsartikelen, de gemeente altijd door een Psalmvers haar instemming kon betuigen. Nu geschiedt dit niet, zeggen zij, want één man doet eigenlijk belijdenis. Die echter zoo spreken, bewijzen heel duidelijk de geloofsbelijdenis der gemeente niet te verstaan. Evenmin is noodig, dat de gemeente staat onder het belijden, om door dat staan instemming te betuigen. Ook eischt het belijden niet, dat de gemeente luid meespreekt met den liturg. De liturg of voorlezer spreekt de twaalf geloofsartikelen uit. Maar dan belijdt heel de gemeente en ieder persoon-lijk, in de kerk aanwezig. Dat moet worden beseft. En bij elk van die geweldige geloofswoorden, moeten wij ons afvragen of v/ij waarlijk gelooven, wat wij belijden. Wij belijden eiken Zondag in de kerk ons geloof. God kent ons hart en ziet ons leven. Beantwoordt het binnenste van ons hart, en de openbaring van ons leven aan onze belijdenis des geloofs in de samenkomst der gemeente van Jezus Christus? Wie iets van deze heerlijke en hoogst verantwoordelijke zaken verstaat, zal niet zoo haastig, als de gemeente haar geloof belijdt, met andere dingen, b.v. met het opzoeken van het te lezen Schriftgedeelte, bezig zijn. Die begint ook al meer te verstaan, wat hij in de kerk moet doen. Maar wie is tot deze dingen bekwaam? Genade alleen leert ons er op aarde iets van verstaan.
De gemeente moet den Heere ook openlijk aanroepen. Zij wordt opgeroepen tot bidden. Het gemeenschappelijk gebed is een zaak van diepen zin en groote teederheid. Wij spreken nog altijd van: Huis des gebeds. Laten wij dat rustig blijven doen, maar laat het gebed dan ook haar volle rechten ontvangen en in volle eerbied worden opgezonden tot den Hoorder der gebeden. Laat er ook tijd zijn voor het dankgebed. Het gaat in het huis des gebeds niet om de bewon-dering van den prediker, maar allereerst om de aanbidding van den Heere. Opgemerkt is, dat aanbidden de hoogste vorm is van bewondering. Dit rechte aanbidden doet daarom niemand van nature. Wij zijn kinderen van den vader der leugenen, wat onze afkomst betreft. De duivel kleineert, bewondert niet, kan dit niet doen. Maar als de prediker of de hoorder dan bezig is om zichzelf te bewonderen, kleineert hij den Heere, aanbidt hij God niet en doet, in wezen, werk des duivels. Dat is om te huiveren, maar het is niet anders. Alleen Gods Geest leert aanbidden. God eeren en verheerlijken. Maar als wij dit gaan ver-staan, begrijpen wij ook wat het allerhoogste, het allervoornaamste is, wat wij in de kerk moeten doen. Het gaat in de kerk dus allereerst en allermeest en altijd weer in de eerste plaats, om de aanbidding Gods, om de eerste van Zijn Naam.
Dat het gebed eerbiedig moet zijn in woord en houding, behoeft hier niet te worden aangetoond. Over tal van liturgische vragen, zwijgen wij hier, evenals over de Formuliergebeden. Als de liturg bidt is hij de mond der gemeente; de gemeente bidt. Daarom mag de liturg nooit spreken in den eersten persoon, maar altijd in den derden persoon als hij voor zichzelf bidt. Als de liturg dit niet verstaat, dan begrijpt hij zelf niet, wat de taak der gemeente is. De gemeente heeft een priesterlijke taak en die taak is heilig en heerlijk. Zij nadert priesterlijk in den Naam van Jezus Christus tot den troon der genade. Dit priesterlijk naderen is het bijzondere, dat ingeleefd moet worden door den Geest der genade en der gebeden. Maar het besef van deze dingen is veel te veel uitge-sleten. In dit priesterlijk naderen, in dit bidden, moet de gemeente aanbidden, danken en smeeken. Gebeden wordt dan voor den dienst des Woords, voor de armen, voor heel de gemeente in al haar belangen, voor de Overheden, de vervolgden, en voor allen, die in nood, in lijden verkeeren. In dat gebed moet een plaats zijn voor de jeugd, de doofstommen, blinden, zieken en allen, wier weg door de diepte van beproevingen gaat. De voorbede, die gevraagd is, moet plaats hebben. Op boete- en bededagen zijn er bijzondere nooden op te dragen aan den Heere. Het dankgebed heeft eigen inhoud. Op dat alles heeft de Liturgiek bijzonder te wijzen, maar kan hier niet verhandeld worden. Uit het genoemde blijkt wel duidelijk, dat er ontzaglijk veel van ons gevraagd wordt in de kerk. Het is geen lid der gemeente gegeven, ook geen liturg, om alles, waarvoor gebeden en gedankt wordt, diep in te leven. En wie aanbidt recht? Er is heel veel genade noodig, om in de kerk te bidden. En de taak is voor den liturg, die de mond van de gemeente moet zijn, wel heel zwaar. Maar wij mogen bidden en de Heere leert bidden. Hij gaf den Geest der gebeden en die Geest zucht, bidt in het midden der gemeente en bearbeidt de zielen tot het rechte bidden. Laten wij veel smeeken om de bekwaammaking door dien Geest tot den dienst des Heeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1950

De Wekker | 4 Pagina's

Wat doen wij in de kerk (8)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1950

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken