Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom het Oude Testament (XVI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rondom het Oude Testament (XVI)

De beschrijving der Oud-Testamentische Godsopenbaring

6 minuten leestijd

We hebben de vorige maal besproken, dat God in de Oud-Testamentische bedeling Zich „veelmaal en op velerlei wijze" (Hebr. 1 :1) heeft geopenbaard. Van deze openbaring hebben we in het Oude Testament de beschrijving. Die beschrijving was nodig om de openbaring Gods voor latere geslachten te bewaren.
Vóór de schriftelijke fixering der openbaring Gods en ook nog gelijktijdig daarmee werd ze van ouder op kind doorgegeven door mondelinge overlevering. Ook bij andere volkeren vinden we daarvan talrijke voorbeelden, dat hun religieuze verhalen en liederen van het ene geslacht aan het andere werden doorgegeven door mondelinge overlevering. Hoe lager de literaire ontwikkeling van een volk, des te meer treft men dit verschijnsel aan. Waar echter de kennis en het gebruik van het schrift toeneemt, neemt de gewoonte van de mondelinge overlevering af.
Niet anders is het onder Israel gegaan. Dat ook daar de mondelinge overlevering is in gebruik geweest, blijkt nog uit meer dan één plaats in het O.T.
In zijn studie „De mondelinge overlevering in het Oude Testament" wijst Dr. Gispen verschillende plaatsen aan. We noemen er hier slechts twee. In Ex. 10 :1—2 zegt God tot Mozes, dat de tekenen, d.w.z. de strafgerichten, die God in Egypte heeft aangericht, onder Israel moeten worden verteld van ouder op kind. Hetzelfde wordt in hoofdstuk 12 :24—27 gezegd omtrent de viering van het Paasfeest. Wanneer bij die gelegenheid een kind zal vragen: „Wat hebt gij daar voor een dienst?" dan moet de vader antwoorden: „Dit is de HEERE een paasoffer, die de huizen der kinderen Israels voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaren sloeg en onze huizen spaarde". Zo moet jaarlijks de betekenis van het paasfeest onder Israel mondeling van ouder op kind worden doorgegeven.
Deze mondelinge overlevering heeft zich onder Israel lang gehandhaafd en dat was nodig, omdat lang niet ieder de kunst van het lezen machtig was.
Maar naast de mondelinge overlevering begint al heel vroeg de beschrijving van de openbaring Gods. Zeker in de tijd van Mozes. Dit wordt duidelijk bewezen door Ex. 24 :4. waar gezegd wordt, dat Mozes de woorden, die hij van God ontvangen had, opschreef en Deut. 31 :24, waar we lezen, dat Mozes de woorden van Gods wet schreef in een boek. De bewering van Bijbelcritische zijde, dat het onmogelijk is, dat Mozes één letter geschreven heeft, omdat men in die tijd nog niet kon schrijven, is door de opgravingen voldoende als dwaas aan de kaak gesteld, daar die ons geleerd hebben, dat in Babel en Egypte al zeker in 3000 jaar V. Chr. het schrijven bekend was. En Mozes, die onderwezen was „in alle wijsheid der Egyptenaren" (Hand. 7 : 22) heeft de schrijfkunst zeker beoefend.
Wanneer wij zeggen, dat we in het Oude Testament hebben de beschrijving van Gods openbaring, dan wil dat niet zeggen, dat alles, wat God geopenbaard heeft, in het O.T. beschreven is. Dat zou zelfs niet mogelijk zijn. Het is er mee als met de woorden van Jezus. Deze heeft tijdens Zijn rondwandelingen op aarde meer gesproken en geleerd, dan ons in de Evangeliën wordt meegedeeld. In Hand. 1 :3 wordt gezegd, dat Jezus in de veertig dagen tussen Zijn opstanding en hemelvaart tot de discipelen gesproken heeft „van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan". Maar van die woorden van Christus is er ons niet één bewaard. En Johannes schrijft aan het eind van Zijn evangelie, dat Jezus nog veel meer gedaan heeft dan dat door hem beschreven is, want „zo zij elk bijzonder geschreven wierden dan zou de wereld de geschreven boeken niet kunnen bevatten (Joh. 21:25).
Zo hebben we dus in het O.T. niet de ganse openbaring van God. Het is niet onmogelijk, dat God meer tot Abraham gesproken heeft, dan ons is meegedeeld. De profeten hebben ongetwijfeld meer gezegd, dan wij thans in hun geschriften bezitten. Van de profeten Elia en Elisa hebben we zelfs geen enkel geschrift en in het Koningenboek zijn ons slechts weinig woorden bewaard. In het O.T. hebben we de beschrijving van slechts een deel der openbaring Gods en wel van dat deel, dat naar de mening van de Heilige Geest betekenis heeft voor alle eeuwen.
De beschrijving van de Oud-Testamentische Godsopenbaring is voornamelijk geschied door profeten, psalmdichter s en wijsheidsleraars.
Soms hebben de profeten zelf hun prediking op schrift gesteld. Dit is bv. ongetwijfeld het geval met de profeet Ezechiël, wat we kunnen opmaken uit de ik-vorm, waarin de verhalende gedeelten van zijn profetieën zijn gesteld en uit de wijze, waarop zijn toespraken worden ingeleid: „En het woord des Heeren geschiedde tot mij zeggende..".
Maar soms is ook de prediking van een profeet door een ander geschreven. Dit weten we bv. van de prediking van de profeet Jeremia, die werd opgeschreven door zijn vriend Baruch (Jer. 45 :1). En ook wanneer over een profeet in de derde persoon gesproken wordt (vgl. Hosea 1:1) is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat een ander de profetieën heeft verzameld en opgeschreven, hoewel dit niet per se nodig is. (vgl Hosea 3:1).
Ook de historische boeken zijn geschreven door profeten. De oude Joden noemden ze dan ook profetische boeken en om ze te onderscheiden van de eigenlijke profetische geschriften, noemden ze de eerste „de vroegere" en de laatste „de latere profeten".
Wie de schrijvers zijn van de boeken Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuel, en 2 Koningen is ons ten enenmale onbekend. Dat de boeken Jozua en Samuel heten, betekent niet dat ze door Jozua en Samuel geschreven zijn, maar dat daarin over hen gehandeld wordt, precies zoals ook de naam Koningen niet wil zeggen, dat deze boeken door koningen zijn geschreven, maar dat daarin wordt gehandeld over de onderscheidene koningen van Israel en Juda.
Evenmin weten we van elke psalm de dichter. En in het Spreukenboek hebben we behalve de spreuken van Salomo ook spreuken van wijzen, die ons met name onbekend zijn (Spr. 24: 23).
Maar wie ze ook zijn, de Bijbelschrijvers zijn in de beschrijving van Gods openbaring geleid door de Heilige Geest. Niet alleen de openbaring, die we in het Oude Testament hebben, is van God, maar ook de beschrijving van die openbaring. Dat maakt het O.T, tot het onfeilbaar Woord van God. De openbaring Gods is niet slechts in het O.T., maar het O.T. zelf is openbaring van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 14 September 1951

De Wekker | 4 Pagina's

Rondom het Oude Testament (XVI)

Bekijk de hele uitgave van Friday 14 September 1951

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken