Bekijk het origineel

De Vreugde Uws Heils (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Vreugde Uws Heils (8)

7 minuten leestijd

Beste vriend!
Als het leven weer levendig is geworden, en David weer een toevlucht heeft gevonden aan het hart van God, wordt dit een bron van godvruchtige deugden; een der kenmerken van alle waarachtige bekeering.
Jaren geleden verscheen een boek getiteld: Vreugde een bron van deugden. Al was het theol. grondbeginsel van dit boek nu al niet het onze, dat neemt niet weg, dat de schrijver een op zichzelf juiste stelling heeft geponeerd, want inderdaad een mensch in b.v. neerslachtige of droefgeestige gedrukte stemming zal in den regel ook weinig goede, nuttige activiteit naar voren brengen. Terwijl omgekeerd een opgeluchte en opgeruimde geest in staat zal blijken veel meer opgewektheid te bezitten, lust en kracht tot het verrichten van goede, gewenschte daden. Bij uitstek geldt dit in de sfeer van het genadeleven. De ware verruimde en verheugde zielestemming, n.l. die in God, brengt genegenheid tot en daadwerkelijkheid van godvruchtige daden voort.
In David is dit ook te constateren. Liefde, bezinning, aangording, moed, dapperheid, zelfverloochening, enz. — het spruit alles voort uit de aangename zielestemming.
Men bedenke hierbij, dat de ware volle vreugde niet slechts is eene over de schuldvergeving en het bewuste verzekerde bezit hiervan, maar deze vreugde is eene in God om God Zelf. God en de zielsgemeenschap met Hem bedauwt als het ware de hebbelijkheden die in de genade zijn uitgestort, zoodat het een gewaterde hof wordt met allerlei uitspruitsels. Dan geuren de specerijen, dan ontluiken de bloemen, dan rijpen de vruchten, dan hoort ge het zingen der vogels tusschen de takken, dan worden er kloeke heldendaden in God verricht. Ja waarlijk dan geldt ten deze: christendom is heldendom, naar het woord en naar de daad.
Toen David uit dat bidvertrek weder keerde, zat, om zoo te zeggen de wierookgeur der Godsontmoeting nog in zijn gewaad; hij was als met versche olie overgoten.
Dan wordt hij weer een strijder, een getuige, een prediker, een godsvruchtzoeker en betrachter. Zoo iemand krijgt met Paulus zelfs een vermaak in zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem worde opgeluisterd; al zijn Gods wegen dan soms op zichzelf o zoo moeilijk en zwaar, — waarom? omdat God daarin zooveel van Zichzelf verheerlijkt.
Practicale godsvrucht wordt vertoond.
De heiligmaking in passieven zin, als hebbelijkheid tot 'n op God gericht leven wordt in den wortel verfrischt en versterkt. En wordt dit een stuwkracht tot een actieve heiligmaking. Alles vruchten van onderhoudende, achtervolgende, bevestigende en bekwaammakende genade tot godzaligheid des wandels in de practijk. Dit alles is evenzeer een eisch en gebod Gods. Daartoe moeten de zinnen geoefend, en de slappe knieën weder opgericht. En dan geldt: Uwe geboden zijn niet zwaar. Er komt een vermaak m de wet Gods; een weerstand tegen alle trage lijdelijke bevinding; zulk een trage lijdelijke bevinding is niet de Bijbelsche. Waak en bid en strijd er tegen.
Het kind van Davids zondige liefde wordt krank en sterft. Tijdens de krankheid heeft David in smartetranen God gezocht; als het nog kón, och of dat kind mocht herstellen. Hij is en blijft er toch de vader van. Het natuurlijke leven wordt ten slotte niet vernietigd. Maar ..... wel door God beheerscht, geleid, ten dienste gesteld zelfs van God; het staat onder het regiment de regering van Gods voorzienigheid.
Het kind sterft.
Dit is wel geen betaling voor de zonde. Neen, deze wordt straks op Golgotha gebracht, maar toch wel een zekere straf op de zonde. Er is in het leven ook, ja zelfs, van Gods kinderen meermalen zoo iets te ontwaren van wat de theosophie „karma" noemt. Neen we verwerpen de dwaalleer der theosophie zelf hartgrondig; maar wat daar op verkeer stramien is geborduurd, willen we binnen het raam der christelijke levensbeschouwing toch laten gelden op de Paulinische manier: wat de mensch zaait zal hij ook maaien. Ach hoe talloos en weemoedig zijn er dagelijks de voorbeelden van. Hoe blijkt niet telkens het door God gelegd verband tusschen zonde en levensleed. Niet omdat de vergeving te kort schiet, maar om vele andere redenen. We noemen ditmaal slechts: (er ware veel meer te noemen) opdat uitkomen zou, dat Gods kind, al bezit het dan genade, daarom niet gerechtigd is om er op los te leven; integendeel, opdat openbaar worde, dat Gods heiligheden hoog worden gehouden; zoo wij het soms al niet doen; dan zal God zelf het doen. Opdat goed en diep worde gevoeld, dat zonde zonde is, en haar strafwaardigheid zelve nooit wordt te niet gedaan. Opdat we voorzichtig mochten wandelen. Antinomianisme staat niet in de dogmatiek Gods; of het moest zijn, om het grondig te veroordeelen.
Maar let nu wel op, wat er gebeurt.
Het kind sterft; de hovelingen houden den adem in. Ze durven het David niet te kennen geven. Wat zal die koning te keer gaan. Toen het kind krank nog leefde, lag David al in een zak ter neder; hoe ontroostbaar zal hij nu wel wezen, als hij vernemen moet, dat het kind gestorven is. David bemerkt aan hun onderling gemompel, dat er iets niet in den haak is; dat het kind wel gestorven zal zijn, en nu is hij hen vóór. Treed maar toe mannen, ik heb het al bemerkt, het vreeselijke is gebeurd, mijn kind is bezweken, zeg 't maar; en nu God beslist heeft, heeft het geen zin meer in tranen te liggen bidden en smeeken; en hij onderwerpt zich in gehoorzaamheid van heiligmaking; hij buigt onder God; en aanvaardt de daad Gods als een voldongen feit; God zelf heeft gesproken, dan heb ik te zwijgen. Het kind zal tot mij niet wederkeeren, het eenige dat God beslist heeft, is: ik zal tot hem (het kind) gaan, maar hij niet tot mij wederkeeren. Ach hoe heeft men gedurig dit woord niet recht verstaan, vrees ik. Dan wil men er in lezen: dit kind is opgenomen in Gods heerlijkheid; daarheen is ook mijn reis, en daar zal ik (David) het wedervinden. In 't midden nu gelaten, of dit op zichzelf gezien, nu waar kan zijn, kunnen we toch niet instemmen met de opvatting, dat David dit in alle heldere bewustheid zou hebben bedoeld. Neen lezen we het nuchter en goed in het verband der omstandigheden. David wilde o.i. hiermede niets anders, maar ook niets minder zeggen, dan dit n.l.: God heeft nu het laatste woord gesproken en het vonnis voltrokken; het feit is voldongen, en finaal beslist; ik moet nu ophouden met dit bidden om herstel. God heeft het anders gewild, de dood maakt een afgesneden zaak, en nu is voor mij een andere taak aangebroken; het leven gaat voort, en stelt zijn eischen, ja stelt zijn eischen; n.l. ik moet nu bij dit afgedane feit, God God laten, en in gehoorzaamheid aanvaarden, wat God mij oplegt. Gehoorzamen, zoo geldt nu ook hier, is beter dan offerande. Al de kracht, al de voortreffelijkheid en ook heerlijkheid van nieuw, van genadeleven, moet zich openbaren in gehoorzaamheid; wel niet een wettische, maar terdege toch als een gehoorzaamheid des geloofs; d.i. als een gehoorzaamheid, de nieuwe gehoorzaamheid, welke vrucht en openbaring is van geloof. Een ontzaglijke maar niettemin heerlijke hemelsche opdracht aan het genadeleven. God wil gebeden, maar ook gehoorzaamd zijn. Zie, zoo krijgt David weer moed, weer kracht om te leven. Zij het ons tot een opwekkend en bestierend voorbeeld.
Tot de volgende maal D.V.
Met de beste wenschen en hartelijke groeten als steeds Uw U toeg. Vr. en Br. in Christus.
G. WISSE
Doorn, 4 Dec. 1952.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1952

De Wekker | 4 Pagina's

De Vreugde Uws Heils (8)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1952

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken