Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schijn bedriegt (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Schijn bedriegt (1)

7 minuten leestijd

En ziende een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe. En vond niets aan dien, dan alleen bladeren, en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid. En de vijgeboom verdorde terstond. Matth. 21 : 19.

Vele menschen zijn een boek in prachtband, maar meer ook niet.
En toch gaat het niet om de band, maar om de inhoud van het boek.
Er zijn er, die een bijzondere attractie hebben voor boeken in prachtband. Ge moet echter niet vragen naar den inhoud, want die is soms niet in overeenstemming met de schoone band, het sierlijke kleed, waarin het boek zich presenteert.
Hoeveel christenen zijn er, die schitterende uitgaven in de kerkelijke etalage zijn.
Het zijn boeken, sierlijk gebonden, maar zonder inhoud. Het zijn monumenten als op een begraafplaats. De graven der profeten en der oude schrijvers versierende, maar zelf vol doodsbeenderen.
Gij zijt het immers met mij eens, dat het in het geestelijk leven niet gaat om de uiterlijke verschijning, maar om de innerlijke bewogenheid.
En zelfs deze innerlijke bewogenheid draagt ook nog zooveel gevaren.
Wat is geestelijk leven toch een diep mysterie!
Geestelijk leven is meer dan innerlijke bewogenheid, meer dan een poëtische uiting van een verheven fantasie of een ontvlambaar gemoed.
Geestelijk leven is geen rimpeling van vrome gewaarwordingen noch ook een mededeeling van een zware traditioneele dogmatiek.
Er kan zooveel zijn met niets.
Er kan zoo weinig zijn met veel.
Geestelijk leven is niets anders, dan het smaken van den Christus als levenseenheid en levensvolheid, waardoor tijd en eeuwigheid. Woord en sacrament, hart en leven wordt doorademd.
Zeker, zeker, ook hier geeft deze akker niet direct zijn vol rijpe vrucht,, maar waar het leven ontwaakt kan de vrucht niet achter blijven.
Hebben wij hier de gelijkenis van den vijgeboom?
Ja en neen.
Wij hebben hier wel een gelijkenis, maar toch niet in den gewonen zin, waarin wij dit woord meestal in de Schrift aantreffen.
De gelijkenissen in het teekenend beeld der Heilige Schrift zijn meestal een „spreken" in gelijkenissen. Het blijft bij het teekenend woord.
Maar ook hier bij de vijgeboom blijft het niet bij het woord, maar het is hier direct daad, direct ontstellende werkelijkheid. De vijgeboom verdorde terstond. Gelijkenis en.. . werkelijkheid staan hier dus vlak bij elkaar.
Beseft gij niet, dat juist hierdoor deze bladzijde der Heilige Schrift te meer aangrijpend en te meer welsprekend wordt?
Maar behalve dit, is er nog een reden, waarom deze bladzijde der Schrift een bijzondere beteekenis krijgt.
Bedenkt dan, dat nog enkele weken ons scheiden van den lijdenstijd, waar wij de zeven zalen van den tempel bouwen, waarin wij den Borg en Middelaar als het geslachte Lam naar het altaar des kruises zien heengeleid.
Carnaval komt!
Het woord beteekent „vaarwel aan het vleesch".
Wat weet de lachlustige wereld van wat „vleesch" is, dat zich der wet Gods niet onderwerpt. Wat weet de wereld, die aan vleeschelijke geneugten zich op den drempel van den lijdenstijd wil uitleven, wat „vleesch", d.i. wat zonde, wat verlorenheid, wat verdoemelijkheid, ,wat sterven met Christus is?
Zij is er te onbenullig voor om deze diepte met haar parelen te vinden. Zij duikt liever in den stroom, die ten slotte slijk en modder opwerpt. Arme wereld.
Arm carnaval!
Maar gezegend „Carnaval", als wij den zin der Schrift, de diepte van de zondigheid der zonde hebben leeren peilen.
Deze bladzijde der Schrift wijst ons naar den lijdenstijd heen, waarin de gemeente des Heeren haar Koning mag volgen op het kruispad, om den Kruisheld al beter te leeren kennen, en het kruisoffer al meer te leeren waardeeren.
Deze bladzijde der Schrift spreekt van de laatste week van Jezus' vernederd leven op aarde. Die week vangt aan met de koninklijke intocht binnen Jeruzalem. Hier wijst de Schrift erop; dat Jezus des daags was in den tempel, en des nachts in het rustige Bethanië zich terugtrok.
Nog slechts enkele dagen meer, en het volk der Joden zou zijn Messias uitwerpen om Hem, die met een Hosanna was binnengehaald, straks met een „kruist Hem, kruist Hem" ter stadspoort uit te werpen.
Maar beseft gij, dat in dit licht de gelijkenis, neen, het feit van den verdorden vijgeboom nog meer zin krijgt.
De verdorde vijgeboom een teekening van wat er overblijft van een volk, van een mensch, van een zondaar, die het bloed des Nieuwen Testaments onrein acht, en den tijd der genade niet weet uit te koopen.
Ziende een vijgeboom!
Dat was heusch geen zeldzaamheid in het Joodsche land. Wijnstok en vijgeboom waren de meest bekende en geliefde gewassen in Kanaän.
Maar dit wordt hier zoo nadrukkelijk gezegd, omdat juist deze vijgeboom zoo zeer de aandacht van den Heiland trok.
In de Hollandsche tekst komt dit niet zoo duidelijk uit.
In den Griekschen tekst is het niet „een", maar „één" (telwoord) vijgeboom, die zoo zeer de aandacht van Jezus trok.
Deze ééne boom, zoo schrijft Marcus in zijn Evangelie, werd van verre reeds gezien. (Mare. 11 : 13).
Hij maakte dus een groot onderscheid met de andere boomen. Deze boom prijkt in volle bladertooi, terwijl al de andere boomen nog niet tot zulk een wasdom gekomen waren. Het was dus een boom, zoo wil de Schrift ons een indruk geven, die boven al de andere de aandacht trok.
Een boom zoo vol!
Een boom zoo eenig!
Een boom naast andere en toch anders, dan de andere!
En wij herinneren ons het woord der Schrift: aan Jakob heb Ik mijn wetten en aan Israël mijn bezittingen bekend gemaakt, en al zoo heb ik geen volk gedaan.
En dan komt daarachter dat ontzettende woord der beschuldiging: En mijn rechten kennen zij niet.
Een boom zoo vol.
Het is het beeld van het hoog bevoorrechte Joodsche volk, dat door zijn prachtige tempel, zijn veelheid van offerande, zijn godsdienstzin en plichtsbetrachting een volheid van bladeren toonde, reeds, om met Marcus te spreken, van verre te zien.
Deze vijgeboom aan den weg was er niet van zelf gekomen, maar hij was geplant aan den weg, en had tijd gehad om vrucht te dragen.
God heeft Israël tijd gegeven om vrucht te dragen.
Meer dan twee duizend jaren zijn voorbijgegaan. Er is om dien boom van Israëls volksbestaan gegraven en mest gelegd. Profeten hebben gearbeid, offeranden hebben gesproken, priesterschaar gepredikt. Waar, waar is de vrucht?
Heeft God U en mij ook geen tijd gegeven, wij, die daar groeien als de vijgeboom aan den weg des levens en die een plaats hebben in den kring van het Verbond?
Wij, kinderen des Verbonds, wij, die den zegen der belofte dragen, wij, die den zegelring dragen, waarin staat: „Ik ben Uw God". Wij, die verre boven heidenkinderen verkoren zijn, wij hebben veel tijd gehad om vrucht te dragen.
Wie weet, hoeveel jaren deze vijgeboom daar al stond aan den weg. Zegt zijn sierlijk loover ons niet, dat hij vele jaren door den dauw des hemels is nat gemaakt, en dat hij tal van jaren door zonnewarmte was verkwikt?
Die vijgeboom heeft tijd gehad!
Tijd!
Wat zegt dit enkele kleine woord toch veel.
Tijd van Gods lankmoedigheid.
Tijd, waarbij de levensjaren worden verdarteld; maar deze verkwanselde jaren zouden wij willen uitkoopen voor al de schatten der wereld, als de ure van sterven nadert.
Tijd!
Tel ze op, lezer of lezeres, de krachtige stemmen van Gods Woord en die hoorbare kloppingen van een ontwaakt geweten!
Tel ze op, de wenken om stil te staan.
Tel ze op, de noodigingen om weder te keeren.
Tel ze op de gebeden, de roepstemmen om de wapenen neer te leggen en U voor God te buigen.
Zoo zult gij vinden de zon der gerechtigheid, die uw levensbodem met haar warmte verkwikt.
Zoo zult gij indrinken de regen des Geestes, die de halmen der genade laat ruischen op uw zieleakker en die leert een milde regen zondt Gij, O Heer,
Op Uw bezwijkend' erf'nis neer.
Om sterkte aan haar te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1953

De Wekker | 4 Pagina's

Schijn bedriegt (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1953

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken