Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Sursum Corda

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Sursum Corda

7 minuten leestijd

„Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld." Johannes 17 : 24.

Sursum corda: de harten omhoog! — dat is de roep van Jezus' hemelvaart voor Zijn strijdende Kerk, zoals het Avondmaalsformulier ons opwekt, dat wij „onze harten opwaarts in den hemel verheffen, waar Jezus Christus is".
In het hogepriesterlijk gebed, dat Jezus gebeden heeft kort vóór Zijn sterven, ziet Hij reeds over dood en graf heen en spreekt als Overwinnaar. Hij weet Zijn werk volbracht en bidt om Zijn verheerlijking. Het is alsof Hij gereed staat de troon te bestijgen, alsof het niet de vooravond van Zijn kruisiging, maar van Zijn hemelvaart was: „nu kom Ik tot U.... " (vs. 13).
Zó heeft Hij gebeden voor Zijn Kerk, die Hij voorlopig achterlaat. Hij heeft gevraagd om haar bewaring, haar heiliging, haar eenheid. En dan komt Zijn laatste wilsbeschikking: „Vader! Ik wil.... "
Het is een zeer krachtige uitdrukking. De biddende Hogepriester draagt Zijn volk op Zijn hart, is er gedurig mee bezig en kan slechts heengaan, als Hij zeker kan zijn van wat Hij nú begeert.
Zo stelt Hij hier Zijn testament als in handen van den Vader. En die laatste wil betreft.... de hemelvaart der Kerk!

Terwijl Jezus met den dood voor ogen alle reden heeft om slechts aan Zich zelf te denken, blijkt Hij aldoor bezig met de Zijnen, d.i. met Zijn jongeren én met degenen, die door hun woord in Hem geloven, d.i. (vs. 20), dus met heel Zijn Kerk.
Hij wil al de gegevenen des Vaders eeuwig bij Zich hebben. Waarom?
Zijn ze zo beminnenswaardig in zichzelf? Als ge uzelf goed kent, weet ge beter.
Tot Zijn kleingelovige discipelen heeft Jezus eenmaal moeten zeggen: „Hoe lang zal Ik nog met u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen?" En wie zijn wij, ook ondanks bewezen genade? Wie zijn we in ons boos, ongelovig en liefdeloos bestaan? Ik zou best kunnen begrijpen, als Hij ook voor de Kerk van heden slechts deze verzuchting over had ...
„Hoe lang zal Ik nog met u zijn?" En toch: „Ik wil, dat zij bij Mij zijn". Hoe is het mogelijk?
In Joh. 13 : 1 staat de verklaring: „Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde."
Tot het einde, dat is tot in den dood! „Zó lief had Hij zondaars, dat Hij voor hen stierf!"
Liefde, die zichzelf gééft, overgeeft! Kon Hij nóg meer doen om Zijn liefde te bewijzen?
Dit is het alleruiterste: „niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden" (Joh. 15 : 13).
Zo lief heeft Jezus de Zijnen, omdat ze het geschenk des Vaders zijn, dat Hem kostbaar is. De Zoon is van eeuwigheid één met den Vader, ook in de liefde tot dit volk. En dat is de liefde, waartoe God Zichzelf bewoog. Die geheel van één kant komt.
De Bruidkerk dankt haar schoonheid en beminnelijkheid geheel aan haar Bruidegom, Die haar liefheeft met dezelfde liefde, waarmee de Vader haar van eeuwigheid bemint. Die liefde, die in God Drieënig vastligt, verlangt hier naar de gemeenschap met de gegevenen des Vaders.
Wij dwazen in onze geestelijke duisternis denken vaak zo arm van Hem. We menen, dat wij wel van Hém verlangen en dat we Hem in onze gebeden moeten bewegen Zich tot ons te wenden.
In werkelijkheid is het zo, dat we Hem kunnen vergeten „dagen zonder getal". Jezus verlangt veel meer naar Zijn volk, dan Zijn volk naar Hem. Laten zoekende zielen daarover mediteren, opdat de wederliefde worde ontstoken. Dan laten wij ons gaan en geven ons aan Hem.

Waarom wil Jezus de Zijnen bij Zich hebben? „Opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt,"
Als de Zoon bezat Hij Goddelijke heerlijkheid van eeuwigheid. Maar die zou Hij nu ontvangen als de verhoogde Middelaar, naar Zijn Goddelijke én menselijke natuur. Dit is het loon op Zijn Borgtochtelijke gehoorzaamheid.
Deze heerlijkheid wordt nader verklaard door wat er volgt: „want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld".
's Vaders eeuwige liefde is dus de bron van deze heerlijkheid. 't Is de heerlijkheid van het wezen Gods. En God is Liefde!
Liefde is van eeuwigheid tot eeuwigheid het mysterie van de eenheid tussen den Vader en den Zoon. Dát is Zijn heerlijkheid, waarin Hij ten volle de liefde Zijns Vaders beleeft. En zo is Christus' heerlijkheid in den hemel tegelijk uitstraling van het liefde-wezen Gods.
Nu wil Christus de Zijnen hebben waar Hijzelf is, opdat ze Zijn heerlijkheid mogen aanschouwen. Daarin zal Hij Zich verlustigen, want als ze Hem zien gelijk Hij is, zullen ze Hem gelijk wezen.
Zó krachtig zal de aanschouwing zijn. Zij zullen zich zalig in Hem verliezen, verzadigd met Zijn beeld.
Zij zullen worden opgenomen in die eeuwige liefde Gods, die hun Koning dezen luister verleent. En eeuwig zullen zij God in Christus eren! Naar dat eeuwig eind van al Gods werken strekt zich hier Zijn wensen uit!

Dus is deze heerlijkheid van den verhoogden Heiland tegelijk de zaligheid der Zijnen: „alzo zullen wij altoos met den Heere wezen".
Opdat wij dit uitzicht zouden hebben, heeft Jezus Zijn laatste wil geuit in de tegenwoordigheid van Zijn discipelen. Zo richt Hij de harten der Zijnen hemelwaarts.
Wat hecht Jezus toch een waarde aan zulke mensen als wij zijn! Als ge uzelf kent en al dieper hebt leren graven, moet ge wel zeggen: hoe heeft Hij ooit van mij kunnen houden?
Een kind beseft pas bij 't ouder worden de liefde, de zelfopofferende liefde van zijn ouders.
En — het schaamt zich, omdat het die liefde zo weinig gewaardeerd en beantwoord heeft. Maar dat feit doet de ouderliefde niet teniet!
Toch is dat slechts een flauwe weerspiegeling van Christus' liefde tot de Zijnen. Hij heeft ze lief, omdat de Vader ze liefgehad en ze aan Hem heeft gegeven.
Die gegevenen worden bereid om Zijn heerlijkheid te zien. Dat zijn dus niet alle mensen. Ook niet alle kerkmensen.
Wat dunkt u, zoudt gij er wel bij horen?
Nee, 't is geen keurcorps: niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele edelen, maar het dwaze en zwakke en onedele der wereld!
Van nature hebben ze geen oog voor Jezus en geen verlangen naar Hem. Maar ingeleid in hun onzaligheid buiten Gods gemeenschap en hun ramp-zaligheid in eigen zondeschuld, leerden zij hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Christus presenteerde Zich aan hun zielen door Zijn Woord en Geest. Ze leerden Hem nodig hebben. Ze kregen oog voor Zijn gepastheid. En Zijn volkomen genoegzaamheid. En voor Zijn bereidwilligheid. Zo werd Hij hun beminnelijk.
En dat terwijl ze nu Zijn heerlijkheid nog maar als „in een spiegel" aanschouwen met het oog des geloofs, dat maar al te dikwijls verduisterd is.
Maar als desondanks het zien op Jezus uw vreugde werd, laat dan het heimwee der liefde maar worden gewekt: Hij verlaat niet wat Zijn hand begon; Hij werkt geen verlangen dat Hij niet zeker vervult!
Zijn heerlijkheid aanschouwen, verzadigd worden met Zijn beeld, eeuwig met den Heere wezen. Hem nooit uit het oog verliezen — dat zal de hemel zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1953

De Wekker | 4 Pagina's

Sursum Corda

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1953

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken