Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Oegarit (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Oegarit (3)

5 minuten leestijd

De opgravingen te Ras Sjamra, waarover we in ons vorig artikel spraken, hebben van 1929—1939 in campagnes plaats gehad.
Het bleek al spoedig, dat men te doen had met een zeer oude stad.
Vijf verschillende lagen werden ontdekt, die elk voor zich telkens op een andere nederzetting wezen. Het bleek, dat de stad nog al eens verwoest was geweest en daarna weer was opgebouwd. Elke laag vertegenwoordigde een andere periode in de geschiedenis van de stad.
Gedurende de verschillende campagnes kwam allerlei aardewerk en vervolgens ook allerlei gereedschappen, wapenen, sieraden, ook gouden en zilveren schalen aan de dag. Het oudste aardewerk bewijst invloed van het eiland Creta, dat omstreeks 3000 v. Chr. een machtig cultuurcentrum was.
Ook Egyptische invloed is reeds zeer vroeg merkbaar.
Reeds bij de eerste campagnes vond nen verschillende Egyptische beelden, bewerkt met het hiëroglyphenschrift, de oudste taal der Egyptenaren.
Daarnaast vond men beelden van de Kanaanietische goden Baäl en Astarte, welke namen ons ook uit de Bijbel niet onbekend zijn. Eveneens een beeld van de Fenicische God Resef.
Na verloop van tijd kon een hele stad met straten en tempels, waaronder een tempel van de Baäl, huizen en andere gebouwen, waaronder een paleis, worden blootgelegd.
De huizen bleken slechts klein te zijn geweest, met een binnenhof, waar zich in de meeste gevallen een bron bevond.
Niet ver van de tempel van Baäl werd een tempelarchief gevonden, ongeveer daterend uit de tijd van Mozes, met talrijke kleitabletten, beschreven met het Babylonische spijkerschrift. Zeer waarschijnlijk heeft men hier te doen met het huis van een opperpriester, dat dienst deed als seminarium of schrijfschool van jonge priesters.
Eerst wist men niet met welke oude stad men te doen had. Enige veronderstellingen bleken later voorbarig te zijn geweest en moesten worden losgelaten.
Toen werd het vermoeden uitgesproken, dat men te doen had met de oude Fenicische stad Oegarit. De naam van deze stad was reeds bekend uit de z.g. Amarna-brieven.
Hieronder verstaat men een verzameling brieven op kleitabletten in de Babylonische taal, geschreven door Kanaanietische koningen aan de Egyptische farao's Amenhotep III en IV uit de tijd van de intocht van Israël in Kanaän en in het laatst van de vorige eeuw gevonden in de heuvel van Amarna aan de middenloop van de Nijl in Egypte.
Uit deze brieven was de naam van de stad Oegarit reeds bekend. Dat men bij de opgravingen van Ras Sjamra inderdaad met deze stad te doen had, werd onbetwistbaar bewezen, toen men tijdens de zesde campagne (1934) een Assyrische brief vond van een zekere Beloeboer, woonachtig in het Eufraat-gebied, aan een inwoner van de stad, welke brief begint met de woorden: „De goden van het land Oegarit mogen U, mijn broeder, behoeden".
Uit wat in de loop der tien jaren tijdens de opgravingen te Ras Sjamra gevonden werd, is een en ander nader van deze oude stad Oegarit te reconstrueren.
De stad was eens de hoofdstad van een gelijknamig koninkrijkje, dat omstreeks de tijd van de intocht van Israël in Kanaän (± 1400 v. Chr.) uit ruim honderd steden en dorpen bestond.
Het gehele gebied was ongeveer 55 km lang en 35 km breed. Sinds de oudste tijden is dit gebied bewoond geweest. Er zijn voorwerpen gevonden, die dateren uit het stenen tijdperk.
Ongeveer 2000 v. Chr. is een Semietische volksgroep het land binnengedrongen en heeft zich daar neergezet. Dat is in dezelfde tijd, dat het land Kanaän bewoond werd door volksgroepen, die uit de Arabische woestijn het land binnentrokken en dan Knaänieten heten. De Feniciërs, en evenzo de inwoners van Oegarit, zijn de het meest naar het Noorden doorgetrokken Knaänieten.
Teksten en voorwerpen uit die tijd bewijzen een druk handelsverkeer met Egypte en de vlakte van de Eufraat en de Tigris.
Tijdens de veroveringstocht van Thotmes III, de Egyptische Napoleon (1481—1449), in het land Kanaän, schijnt Oegarit haar zelfstandigheid hebben weten te behouden.
Na die tijd schijnt de stad aansluiting te hebben gezocht bij de Mitanni, een volksgroep in Boven-Mesopotamië.
In 1365 v. Chr. schijnt de stad door een aardbeving te zijn verwoest. We zijn dan in Israël midden in de Richterenperiode.
Daarna is de stad echter weer herbouwd. Ze heeft toen nog een periode van grote bloei beleefd.
Dat de stad toen dicht bevolkt was, blijkt uit de opeengepakte huizen, die in blokken gebouwd waren, welke gescheiden werden door loodrecht op elkaar staande straten.
De luxe in de huizen was voor die tijd bijzonder groot. Vooral wat het sanitair betreft. Elk huis had een eigen bron met waterreservoir. Eveneens een badkamer, terwijl een goed rioleringsysteem voor de afvoer zorgde.
De rijkdom van de stad wordt ook bewezen door de graven. Bijna elk huis had onder één der vertrekken een grafgewelf. De lichamen der doden lagen hier, waarschijnlijk in matten gewikkeld, omringd door talrijke kostbaarheden, die hun waren meegegeven voor hun leven na de dood.
De meeste graven zijn helaas later bij de verwoesting der stad leeggeplunderd, waarbij de grafrovers het vooral voorzien hadden op zwaarden en bijlen.
De verwoesting der stad is gekomen omstreeks 1200 door de inval van de z.g. „zeevolken".
Deze zijn verwant aan de Filistijnen, die in diezelfde tijd hun inval in het land van Israël deden en ook over vele van hun steden verwoesting hebben gebracht.
De ,,zeevolken" hebben op hun tocht naar het zuiden de stad Oegarit grondig verwoest zonder daarbij enig ander spoor na te laten dan as en puin.
Toen hield Oegarit op in de geschiedenis der wereld ook maar iets te betekenen.
De ontdekking van deze stad heeft echter voor het verstaan van het Oude Testament een bijzondere betekenis.
Niet dat de stad Oegarit ons direct brengt op het terrein van Israël. Zij ligt daarbuiten. De naam van de stad komt ook in de Bijbel niet voor.
Het belang van deze ontdekking ligt hierin, dat zij ons iets meer bekend maakt met het culturele en religieuze milieu, temidden waarvan Israël zich bevond en aan welks invloed het ook niet geheel ontkomen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1953

De Wekker | 4 Pagina's

Oegarit (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1953

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken