Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom het Oude Testament (44)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rondom het Oude Testament (44)

Het Pantheon van Oegarit. (5)

7 minuten leestijd

Hieronder verstaan we het geheel der goden, dat in Oegarit vereerd werd. Het bestond uit enige tientallen van goden, godinnen en halfgoden. Hoofdzakelijk waren deze representanten van natuurkrachten.
In ons vorig artikel zagen we dit reeds in de mythe van Baäl en Aleyan Baäl. In de zomertijd, wanneer door de hitte niets wil groeien, sterft de god Baäl en als de regens vallen, herleeft hij weer in zijn zoon Aleyan Baäl, tegelijk met de herleving der natuur.
Op de naam van deze god willen we hier nog even terugkomen.
De naam van deze god is ons ook uit het Oude Testament niet onbekend. Toen Israël in Kanaän kwam begon het de Baäls te dienen. We lezen dat herhaaldelijk in het boek Richteren. Het Oude Testament kent niet één, maar vele Baäls. Met name worden genoemd Baäl Berith (Richt. 9 : 4), Baäl Peor (Num. 25 : 3) en Baäl Zebub (2 Kon. 1 : 2).
Het woord baäl betekent eigenlijk: heer, gebieder, bezitter. Het kan een soortnaam zijn en krijgt de betekenis van ons woord „god", maar uit de teksten van Ras Sjamra krijgen we te zien, dat de naam Baäl ook als louter eigennaam kon dienst doen. Ook wordt ons daaruit duidelijk, dat we in Baäl met een echt Kanaänietische godheid te doen hebben.
In Oegarietische teksten wordt de god Baäl ook Hadad genoemd. Deze is de god van regen en onweer. Uit de Bijbel kennen we deze god als de god van de Syriërs, de oostelijke buren van de Feniciërs. We treffen de naam van deze god nog aan in de Syrische koningennaam Benhadad, d.w.z. zoon van Hadad; de vertegenwoordiger van Hadad op aarde. Zo zagen de Syriërs hun koning.
De naam Benhadad is door meerdere Syrische koningen gedragen (1 Kon. 15 : 18 : 2 Kon. 13 : 24; Amos 1 : 4).
Deze god Hadad kennen we ook urt de Bijbel als Hadad Rimmon (Zach.l2: 11), door de Syrische generaal Naäman ook kortweg Rimmon genoemd (2 Kon. 5 : 18).
Als vader van Baäl geldt in de Oegarietische teksten El of Dagon. Deze laatste is aan de Bijbellezer evenmin onbekend. Hij kent hem als de naam van de god der Filistijnen (Rich. 16 : 23; 1 Sam. 5 : 2).
Vroeger vatte men deze god Dagon op als een visgod, die men zich voorstelde als een wezen half mens, half vis.
Men bracht de naam in verband met het Hebreeuwse woord dag, dat „vis" betekent.
Echter heeft men deze gedachte reeds lang losgelaten en de opgravingen te Ras Sjamra hebben opnieuw het vermoeden bevestigd, dat we in Dagon te doen hebben met een West-Semietische korengod, die reeds lang vóór de komst van de Filistijnen in Kanaän langs heel de kust van Palestina werd vereerd.
De naam Dagon staat dan waarschijnlijk in verband met het Hebreeuwse woord dagan, dat „koren" betekent.
Uit dit alles blijkt, dat de god Dagon geen oorspronkelijke Filistijnse god geweest is, maar dat de Filistijnen de verering van deze god hebben overgenomen van de inwoners van het land Kanaän, toen zij daar kwamen wonen. We moeten namelijk weten, dat de Filistijnen niet hebben behoord tot de oudste inwoners van Kanaän, maar zij zijn dat land binnengetrokken nog nadat Israël zich in het land gevestigd had, en hebben nadien het volk van Israël heel wat last bezorgd.
We weten een en ander ook uit het boek Richteren.
De Filistijnen hebben dus bij hun intocht in Kanaän hetzelfde gedaan als ook de Israëlieten. Ook deze laatsten hebben bij hun intocht de goden der Kanaänieten overgenomen. Algemeen redeneerde men toen, dat elk land zijn eigen god had en in het land van een bepaalde god ook die bepaalde godheid moest gediend worden.
Men liet toen heel sterk de latijnse regel gelden: cuius regio, illius religio, d.w.z. „wiens land, diens godsdienst". Vergelijk ook 1 Sam. 26 : 19. En Naäman beloofde in zijn land de God van Israël te dienen, maar meende, dat hij daarvoor een last aarde uit diens land moest meenemen (2 Kon. 5 : 17).
De echtgenote van de Oegarietische Baäl heet Asjerat. Ook de naam van deze godin komt in het Oude Testament voor. Helaas niet in de Staten-Vertaling. Dat komt omdat de Statenvertalers de naam van deze godin niet kenden en niet begrepen, dat in bepaalde teksten van een godheid, met name Asjera, sprake was. Telkens, waar de naam van deze godin in het Oude Testament voorkomt, hebben zij vertaald door het woord „bos". Zo bv. in 1 Kon. 18 : 19.
Daar is in de Staten-Vertaling sprake van „de profeten van Baäl en „de profeten van het bos". Dit laatste is niet duidelijk. Hier wordt en bedoeld de profeten van de godin Asjera. In de Nieuwe Vertaling js de bedoeling van deze tekst dan ook duidelijker weergegeven.
Deze naam Asjera is ook in de teksten van Ras Sjamra geïdentificeerd. Daar heet Asjera de echtgenote van Baäl. Ook in 1 Kon. 18 : 19 worden Baäl en Asjera in één adem genoemd.
Asjera was de Kanaänietische godin van de vruchtbaarheid. Aan haar was de heilige boom of de heilige paal gewijd.
Wanneer in Rich. 6 : 25 in de Statenvertaling wordt gezegd, dat Gideon „den bos" moet afbouwen, dat bij het altaar van Baäl staat, dan wordt daar niet een heel bos met bomen bedoeld, maar de heilige paal, die aan Baäls echtgenote Asjera was gewijd.
Hieruit blijkt hoezeer in de Richterentijd de heidense godsdienst van de Kanaänieten, die we ook nader ui de teksten van Ras Sjamra hebben leren kennen, in Israël had ingang gevonden.
Dit is echter niet alleen in de Richterentijd het geval geweest, maar evenzeer in de koningentijd.
In 1 Kon. 15 : 13 lezen we, dat koning Asa van Juda zijn moeder als koningin afzette, omdat zij een gruwelijk beeld van Asjera had gemaakt. Hij hieuw het stuk en verbrandde het. De Staten-Vertaling leest hier: „een afgrijselijke afgod in een bos", maar bedoeld wordt een beeld van de godin Asjera.
Tenslotte wijs ik hier nog op de naam van een godin, die in de Oegarietische literatuur gezien wordt als een zuster van Baäl, nl. Anath. Zij wordt ons beschreven als een wilde, woeste godin, die niets liever doet dan te waden tot aan haar knieën door het bloed van goden en mensen. Zij is een echte krijgsgodin.
De naam van deze godin komt in het Oude Testament niet voor, of het moest zijn in verband met de richter Samgar. Hij wordt in Rich. 3 : 31 en 5 : 6 genoemd: „de zoon van Anath". Wat betekent dat?
Heette zijn vader Anath, precies als de godin uit de teksten van Ras Sjamra? Of droeg Samgars vader een naam, die met de naam van de godin was samen gesteld, wat bij de sterke Kanaänietische invloed op Israël niet onmogelijk is geweest, en welke naam dan later werd afgekort tot de naam van de godin alleen? Of heeft misschien de uitdrukking „zoon van Anath" gewoon de betekenis gekregen van „een echte strijder", „een strijdbaar held"? We weten het niet.
Maar dit is ons wel duidelijk geworden, dat de teksten van Ras Sjamra licht verschaffen onder meer ook over de namen van verschillende Kanaänietische goden, die ons ook in het Oude Testament genoemd worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1953

De Wekker | 4 Pagina's

Rondom het Oude Testament (44)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1953

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken