Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Vleeswording des Woords en Kohlbrugge

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Vleeswording des Woords en Kohlbrugge

10 minuten leestijd

Verleden week schreven wij over de nieuwe Theologie en de vleeswording des Woords, waarin de namen van Brunner en Barth voorkwamen. Thans geldt het Kohlbrugge.
Daar is overeenstemming tussen Kohlbrugge en Barth.
Barth is niet zonder Kohlbrugge te verklaren.
Beiden hebben de ontstellende nietigheid van de mens, van de zondaar, ik zou bijna zeggen, ten voeten uit voor het oog der ganse wereld gedragen. Beiden waren theologen van de distance, van de afstand, van de tegenstelling. God is in de hemel en gij zijt op de aarde. God is Geest en gij zijt „vlees". Zij worden beiden nooit moede om de wereld en de kerk, vooral de vrome kerk, te herinneren aan twee , woorden: NIETS - ALLES,
Kohlbrugge!
Hij is mij als theoloog veel sympathieker, dan Barth. Deze laatste is te veel filosoof, ook al meent Barth, dat hij het heidens-Aristotelisch denken heeft overwonnen, ja, uitgebannen uit de Theologie.
Kohlbrugge daarentegen is een theoloog, die zich als een kindeke buigt voor en onder de Bijbel, als het Woord van God.
Deze man is door een diepe weg van zielsontdekking tot de klaarheid van wat „genade" is gekomen, en hij heeft uit de bronnen van Gods onbegrijpelijke genade met volle teugen gedronken.
Wilt gij Kohlbrugge zien en leren kennen, lees dan, wat hij schreef in een brief van 12 Maart gedateerd 1844:
„Ik heb lang volgehouden om met de wet in mijn hand tot de volmaaktheid te komen en te strijden ten bloede toe. Ik zonk er daarbij al dieper in, en waar ik niet dieper kon, maar ver beneden de duivel verzonken lag, daar, in mijn verlorenheid en radeloosheid is de Heere mij ontmoet, en heeft mij gezegd: Zo als gij zijt, zo zijt gij mij heilig, daar niets af, daar niets toe.
Dat was mij onverwacht, ongedacht. Ik zag een lam, ter rechterhand der heerlijkheid - en daar heb ik afstand gedaan van de wet, van alle .heiligheid, van al mijn weten van goed en kwaad, van wedergeboren, bekeerd, vroom zijn, van mijn God kennen, God beschouwen, van alle godsvrucht, van alles, wat vlees heeft en geeft, en weekt, en nu is mijn enig heil in de hoogte en in de diepte: MET ONS GOD, en dat Hij is, dat is mijn eeuwige enige vreugde en vrede en leven en blijdschap en Evangelie en wet en gebod - al het andere acht ik, gelijk mij zelf, stof en nul."
Uit deze passage blijkt wel, dat Kohlbrugge niet alleen de brief aan de Romeinen gelezen heeft, noch ook dogmatisch geëxegetiseerd heeft, maar dat hij heel deze Romeinenbrief doorleefd en doorkropen heeft op gebogen knieën. Men zou kunnen zeggen Romeinen 7 en 8, dat is Kohlbrugge totaal.
Ik weet, hij heeft niet veel vriendelijke woorden over voor de kerken der Afscheiding. Ook Kohlbrugge bleef een mens, en toen men hem wilde corrigeren over zijn verklaring van Romeinen 7, was dit olie op het vuur, en heeft Kohlbrugge zijn ban over de kerken der Afscheiding uitgesproken.
Zolang als Hendrik de Cock de strijd streed in de Herv. kerk, was Kohlbrugge zijn grootste vriend. Maar zodra de Cock buiten de Herv. kerk trad en een zelfstandige kerkformatie opriep, was het met de vriendschap uit.
En toch, deze man, deze felle strijder, deze tegenstander van al wat „afgescheiden" was of heet, deze zelfde is een prediker der gerechtigheid Gods, zoals er weinigen in die slappe dagen van kerkelijk verval, waren te vinden.
Deze held kende slechts één glorie: Christus en dien gekruist te prediken. In een van zijn „Lijdenspreken" schrijft hij: „ik heb u uit de volheid des harten gepredikt, en zal het blijven prediken: Zolang er nog een ziel naar genade dorst, siddere en vreze zij niet, om vast te houden aan een eeuwige ontferming, zich vast te klemmen aan Christus en Zijn genade".
Deze man nu te horen in de adventstijd over de vleeswording des Woords lijkt mij niet zonder betekenis.
Bij Kohlbrugge vindt ge geen zweem, van wat men in de nieuwe theologie b.v. bij Barth kan vinden, om te onderscheiden tussen de ontische (de wezenlijke of verborgen) en de noëtische (de kenbare of zichtbare) zijde van de vleeswording des Woords. Zulk een filosoferen is Kohlbrugge ten enenmale vreemd.
Voor Kohlbrugge is de vleeswording des Woords en de maagdelijke geboorte één en het zelfde. De geboorte van Jezus uit de maagd Maria zonder de wil des mans, is voor hem niet indifferent, als behorend tot de vlakke historie, die immers geen betekenis heeft voor de werkelijke Godsopenbaring gelijk de nieuwe Theologie betoogt, maar zij is juist voor hem de basis van heel zijn Christologie, van gans zijn prediking van Christus en dien gekruist.
Om de leer van de vleeswording des Woords te peilen bij Kohlbrugge moeten we eerst weten, hoe Kohlbrugge over de mens, bepaald over de gevallen mens, over de van God vervreemde zondaar denkt?
Deze van God vervreemde zondaar, deze gevallen mens kunnen we met één woord noemen: VLEES! Kohlbrugge wordt niet moede om dit woord te gebruiken als hij de doodsstaat van de goddeloze wil karakteriseren.
Vlees en zondaar zijn voor Kohlbrugge synoniem.
Wie „mens" zegt, zegt „vlees" en wie „vlees" zegt, zegt „zondaar" en zondaar is niets.
„Vlees" dat is één klomp goddeloosheid, één stuk ongerechtigheid.
Kohlbrugge kleedt de mens totaal uit en zet hem in al zijn naaktheid, in al zijn goddeloosheid te kijk.
Met al wat in hem is, verklaart hij aan het pelagianisme en humanisme, aan het Kantianisme met zijn Farizese eigen gerechtigheid de oorlog op leven en dood.
Dat is een trek, die wij altijd in Kohlbrugge zullen blijven eren, en waarvoor wij hem hulde zullen brengen als Gereformeerde belijders, die onderschrijven: „gij, die dood waart door de misdaden en zonden, zijt levend gemaakt (met Christus".
Maar anderzijds kunnen wij hem toch niet volgen, als hij Christus in zijn vleeswording te veel laat opgaan en ingaan, in wat Kohlbrugge noemt „vlees".
Al is Jezus de Broederen in alles gelijk geworden, maar daarom is hij nog niet „vlees" in deze zin, dat Jezus deel heeft aan ons zondaar zijn. Het woord van de Schrift „uitgenomen de zonde" leidt bij Kohlbrugge schade
Ik zou heel wat plaatsen kunnen aanwijzen, waaruit blijkt, dat Kohlbrugge op gewaagde en niet verantwoorde paden gaat. Ik wil alleen wijzen op één tekst, die hier ons het meest zegt: Het is de bekende tekst „Het Woord is vlees geworden". Joh. 1:14.
Kohlbrugge schrijft: ,,weet gij, wat hier vlees betekent? Vlees betekent hier niet dat vergankelijke, dat ons aan de botten hangt. Vlees betekent een rmens met lichaam en ziel, die echter in een van God, Die zijn leven is, gans vervreemde toestand leeft, en geheel onbekwaam is om de wil van God te doen, wien daarom ook de eeuwige dood wacht. Zulk een vlees is van God vervloekt en wordt genoemd „zonde" voor Gods heilige ogen, en wijl hij verdorven is kan hij uit zich zelf niet anders, dan alles bederven, zelfs het goede, dat nog onder zijn handen zich bevindt.
Zulk een vlees werd het Woord en denkt het U zo zondig, zo ellendig, zo afschuwelijk, zo gruwelijk voor de wet, als gij wilt, zo zeg ik het u overluid, zulk een vlees werd het Woord, en toch bleef het het Woord en toch bleef het het onschuldig en onbevlekte Lam. Wat het werd, werd het om onzentwil, in onze plaats, zo werd het, omdat de Vader het zo wilde, tot onze zaligheid".
Hier wordt op de vleeswording van Jezus zulk een eenzijdige nadruk gelegd dat elke goddelijke inwerking, dat heel de kracht uit de Heilige Geest, dieper nog, dat heel de persoonlijkheid van de Zoon te veel schuil gaat in dit geboorteproces, dat wel door een menselijke, maar niet genoeg door een goddelijke factor wordt gedragen.
Het is dan ook opmerkelijk, dat bij Kohlbrugge in de ontwikkeling van de leer der vleeswording meer Maria in haar geloofsoefening, dan Gods Geest in zijn scheppende kracht aan het woord is.
Juist door deze al te sterke menselijke factor, alsof Maria's geloof de diepste oorzaak van Christus ontvangenis in de moederschoot was, geeft aanleiding tot zulke sterke uitdrukkingen. Daaruit is ook te verklaren, dat Kohlbrugge Christus, wanneer deze optreedt onder Israël, meer door zijn geloof dan door zijn persoon laat overwinnen.
Ook meen ik niet mis te tasten, als ik aanneem, dat Kohlbrugge zich meer door zijn dogmatisch denken, dan door een zuivere exegese heeft laten leiden. Al is het waar, dat in de Schrift met name bij de Apostel Paulus het woord „vlees" meermalen voorkomt in de zin van onze goddeloze natuur, anderzijds komt dit zelfde woord meermalen voor in de betekenis van onze menselijke natuur. En waar de Apostel Johannes in het eerste hoofdstuk niet wil laten uitkomen de donkere achtergrond in de verschijning van Jezus in de wereld, waar hij veeleer spreekt van het Licht, dat schijnt in de duisternis, zo kunnen wij bij rustige exegese hier niet anders lezen, dan dat het Woord ingegaan is in ons menselijk geslacht, waarom hij er ook direct op laat volgen „en heeft onder ons gewoond". Het is niet meer, als onder het Oude Testament, een verschijning in menselijke gedaante, het is niet gelijk bij de engel des Verbonds het aannemen van een lichaam buiten het proces der geborenen om, maar het is de weg der natuur, waarlangs Jezus het levenslicht ziet, n.l. Hij wordt uit een vrouw geboren. Dit en niet anders wil Johannes zeggen, wanneer hij schrijft „het Woord is vlees geworden". Zeker, in het recht Gods is Christus als de grootste der goddelozen behandeld, maar daarom is Hij Zelf nog niet een goddeloze.
Al is Christus „vlees" geworden, daarom is nog niet te aanvaarden wat Kohlbrugge schrijft: (zie zijn „Betrachtung über Matthäus I) „Is het waar, dat het Woord „vlees" werd, zo hebben wij hier de verklaring, hoe het vlees geworden is; vlees van vlees geboren, niet uit een vleselijk reine geboorte om kwasie de erfzonde te bedekken, maar vlees, gelijk wij zijn, namelijk „niet Geest" maar van God gans en al vervreemd, ontledigd, buiten de heerlijkheid Gods, begrepen in dezelfde verdoemelijkheid of eeuwige dood en vloek, waarin wij verkeren van af onze geboorte, eigen aan hem, die deze doodsmacht bezit, dat is de duivel, gelijk wij van huis uit".
Dit lijkt toch wel al te sterk. Hier dreigt de gelijkheid des zondigen vleses te komen in een gevaarlijke zone van een zondeproces, waaraan Christus alleen ontkomen kan, doordat, gelijk Kohlbrugge aanvaardt, Christus steeds staat in het geloof, en in dat geloof overwint.
Wij kunnen ons beter vinden, in wat onze belijdenis schrijft in artikel 20 als daar staat: „Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon, als Hij onze zonden OP Hem (let wel „op" Hem niet „In" Hem, niet in zijn Vleeswording) gelegd heeft, en heeft uitgestort zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren".
OP HEM!
Ja inderdaad, dat is Bethlehems kribbe: oordeel, gerechtigheid, straf, dood.
MET HEM.
Dat is Bethlehems' glorie: Genade, heerlijkheid, overwinning. Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus!
Hoe zal Hij ons MET HEM niet alle dingen schenken?

Apeldoorn, J.J. van der Schuit.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1954

De Wekker | 4 Pagina's

De Vleeswording des Woords en Kohlbrugge

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1954

De Wekker | 4 Pagina's