Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom 1892 (V)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rondom 1892 (V)

6 minuten leestijd

In Petahja van maart 1891 geeft v. Lingen onder het opschrift „Mededeeling" rekenschap van zijn aangaan voor de Chr, Ger. Kerken. Hij deelt mee tot de kerk van 1834, die God had uitgeleid, zich reeds lang aangetrokken te hebben gevoeld. Na meer dan twee jaar te hebben nagedacht (niet zonder worsteling, strijd en gebed), deed hij de stap. Hij geeft te kennen de broederband te blijven reiken aan de kerken in Doleantie, ook al heeft hij tegen het een en ander geen geringe bezwaren, gelijk hij die openlijk en dikwerf uitsprak. Hij snijdt ook het punt der verenigingen aan en zegt: „Er kome eenheid, maar zonder verkrachting van overtuiging, alleen op de rechte weg, niet uit berekening of zucht om zijn invloed verder te doen reiken of welke drijfveeren meer mochten kunnen bestaan". Van Lingen zegt hier in een paar woorden rake dingen. Hij kende het streven van de Dolerenden. Docent De Cock sprak eens van de „hogere politiek" der Dolerenden.
In het artikel „Mededeeling" brengt Van Lingen nog enkele bezwaren naar voren, die bij hem leefden tegen de Dolerenden. Hij schrijft: „Er zijn zooveel hoogst ernstige stukken, welke mijns inziens door invloedrijke mannen niet naar het Woord Gods worden voorgesteld, en mag ik dan nalaten daartegenover te doen horen wat mijn heilige en vaste overtuiging is, b.v. omtrent den eisch van den Dienaar des Woords, de betekenis van de heilige doop en zooveel meer". Van Lingen kon zich niet verenigen met de doopsbeschouwing in de Dol. Kerken, die aan de V.U. werd gedoceerd.
Van Geref. zijde is wel eens beweerd, dat het punt van de veronderstelde-wedergeboorte en wat er mee samenhing, pas in en na 1892 een zaak werd, waar de bezwaarden de nadruk op hebben gelegd. Dit is echter niet juist. In de jaargang 1890-'91 van Petahja spreekt Van Lingen steeds over deze dingen. De bezwaren in 1892 zijn niet plotseling uit de lucht komen vallen. Ds Beuker, Ten Hoor en anderen schreven in de „Vrije Kerk" van 1889-'90 en '91 reeds daarvan. Beuker schreef in 1890 over de V.U. dit: „Maar sedert ze door dien geest voortgestuwd, met haar rechtvaardigmaking van eeuwigheid, met haar fatalistische doop- en kerkbegrip meer op de voorgrond begint te treden, zal ze dat vertrouwen nog hoe langer hoe meer verliezen". Beuker heeft zich vergist. Hij dacht, dat de Chr. Geref. zich niet door de richting van de V.U. zouden laten beïnvloeden. Zelf is hij er niet aan ontkomen rondom 1892.
Onder het opschrift „Aan de Chr. Geref. broeders" deelt Van Lingen zijn overgang ook mee. Hij zegt o.a.: Werd ik steeds meer gedrongen in mijn ziel, volgens Godswoord en onze Geref. Bel. om niet ten deele, maar geheel te verlaten, wat al de kentekenen eener valsche kerk bezit, ik heb dien drang niet langer kunnen weerstaan". Hij snijdt in dit schrijven ook weer de vereniging aan. Hij zegt: „Ik wensch eenheid, dat al Godsvolk één moge worden, doch alleen op eenen van God gebaande weg in overeenstemming met onze kostelijke belijdenis". Daar zocht Van Lingen naar.
„De Vrije Kerk" was blij met Van Lingens overgang. Beuker schreef: „Wij voor ons danken den Heere, dat Hij Ds Van Lingen tot zijn uit Babel uitgeleide kerk heeft gebracht, alswaar hij en vele Dolerende en Herv. broederen reeds lang hadden behoren te zijn. En het doet ons eveneens genoegen, dat hierdoor vele beletselen opgeheven zijn, die nog op den weg over Zetten naar Kampen waren gelegen". Zo schreef Beuker en hij noemde Van Lingens schrijven over zijn overgang eenvoudig en oprecht. Later veranderde Beukers toon, toen Van Lingen niet met de vereniging kon meegaan.
De Heraut sprak ook over van Lingens overgang. Van Lingen is dankbaar, dat De Heraut het op zulk een zachte wijze mededeelde. Toch heeft Van Lingen enkele opmerkingen over het schrijven van De Heraut. Kuyper had gezegd: „Naar wij vernamen, heeft Ds Van Lingen zich onder het Reglement van 1869 gesteld en zich alzoo aangesloten aan de Chr. GereL Kerk". Dit zeggen was niet fijn. Van Lingen beantwoord de opmerking van Kuyper als volgt: „De Classis Arnhem heeft bij mijn overgang met geen woord gesproken over het Reglement. Dr. Kuyper weet zeer goed, dat de Chr. Geref. Kerk op iets anders rust dan op het Reglement. „Dr. Kuyper" zegt hij, „had beter gedaan te schrijven, want daar zit het kardinale punt.: Ds Van Lingen heeft zich gesteld onder de formulieren van eenigheid m.n. onder art. 27. v.v. der Geref. Bel. Het was hem niet goed genoeg naast de valsche kerk samenkomsten te hebben, en toch haar vast te houden". Van Lingen raakt hier het punt in kwestie. Hij wijst er verder op, dat hij zich bij de vergadering gevoegd heeft, welke de hals buigt onder het juk van Christus. Hij spreekt dan verder over de vereniging en zegt: „Wenscht prof. Kuyper, dat er spoedig vereniging kome, ik wensch die ook, doch niet zoolang niet de Doleerenden loslaten al wat de valsche kerk of het Herv. Gen. aangaat. Ik wensch, die vereniging niet, indien de Chr. Geref. Kerk eigenlijk moet overgaan om weg te zinken in de Ned. Geref. Kerk met overgave harer Theol. School, enz. enz." Van Lingen had de zaak goed door. Hij was er mee bekend, dat de Dol. niets van de Afscheiding moesten hebben. Van Raalte, vrijgem. predikant, sprak enkele jaren geleden uit: „Kuyper en der Dolerenden hoofdbezwaar was niet het Reglement van 1869, maar de Acte van Afscheiding en hetgeen daarin stond van de Herv. Kerk". Hij zegt dan voorts, dat mannen als Beuker, Ten Hoor, en Lindeboom dit door hadden. Hij zegt, dat Kuypers argument tegen hen niets steekhoudens hadden. Hij zwijgt er over, dat deze mannen toch in 1892 in de fuik der Dolerenden gezwommen zijn. Toen zij daar in zwommen hebben Van Lingen en Wisse het Afscheidingsbeginsel gehandhaafd en bewaard. Had Kuyper niet gezegd, na de Syn. van Assen 1888, die zo kloek het beginsel der Afsch. handhaafde: „Gesteld wij tekenen dit, n.l. dat wij de Afscheiding van gemeld Genootschap, zooals ze in 1834 plaats had, erkennen enz., wat zouden wij betuigen? Niet minder dan de meest volstrekte veroordeling van het werk der Doleantie. Wij zouden ons dan bij de Chr. Geref. moeten aansluiten". Dat wilden de Dol. niet, ook in 1892 niet.

M. (Midwolda) H. U. Westerterp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 17 August 1962

De Wekker | 8 Pagina's

Rondom 1892 (V)

Bekijk de hele uitgave van Friday 17 August 1962

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken